Frans Kuipers – Alles waait

‘Handreikingen van een kromme vlier’

door Berry Vos


In de bundel Alles waait van Frans Kuipers zien we een schrijver aan het woord die al een tijdje meeloopt. Dit blijkt zowel uit de inhoud als uit de trefzekere poëzie. De bundel bestaat uit vijf met Romeinse cijfers genummerde afdelingen, wat niet alleen een volgordelijkheid maar ook een bepaalde eenheid suggereert. De eenheid bínnen de hoofdstukken is evident. Of er inderdaad sprake is van een overkoepelende eenheid laat ruimte voor interpretatie. Kuipers schrijft vrije verzen en conformeert zich dus niet aan een bepaalde vorm. Geen sonnetten of kwatrijnen in deze bundel. De dichter hanteert een vloeiende, moeiteloos lijkende stijl, waarbij hij blijk geeft van een scherp oog en sterke opmerkzaamheid: ‘Juni, wolken en hommels. / Altijd die plas op je pad / waarover, vingerafdruk-uniek, / de rimpels en lijnen lopen / van het langzaam verstrijkende windmoment, / tot waterpas opnieuw de plas / en zich weer lezen laten / de kleine, fijne twijgen, / de wolken en de verre vogelstippen’. Om even verderop enigszins raadselachtig te schrijven: ‘Goudgisteren nog honinghalend, / kwalenhoedend heden, / morgen nergens te bekennen meer, / een reiziger ben ik in raadsels, / vrees, verlangens en mirakels.’

In de eerste afdeling ‘Het sterft van de verloren dromen hier’ lezen we gedichten, zes lange gedichten en één korte, waarin sentimentaliteit een groot thema vormt:

Ga ik weet niet waar
haal ik weet niet wat.

Put
uit je puzzelstukkenmens.

Wroet
waar het pijn doet.

Haal ik weet niet wat
ga ik weet niet waar.

De gedichten in deze afdeling vallen op door hun lengte en gecursiveerde terzijdes. Dat geeft een vervreemdend effect en versterkt de indruk dat dromen en jeugdherinneringen hier een belangrijke rol spelen. De gedichten maken een sterk autobiografische indruk, de schrijver gaat terug naar vroeger waar ooms kaartten: ‘Naar het schudden van de kaarten / en het rollen van de dobbelstenen keek ik graag’. Deze benevelde ooms vragen de kleine Frans (‘Wjanka de zoveelste / Iwan die Peter heette’, een mooie Slauerhoffparafrase) dan om iets voor te dragen.

De gedichten in het eerste deel zijn beschouwend van aard: ‘alles is er nog, niets is gebleven’. In het tweede deel, ‘Waar te beginnen’, gaat de dichter in negen gedichten naar een eiland (Schapeneiland, wat mij aan Texel doet denken). In deze verzen wordt over zee gereisd, door straten huiswaarts gekeerd, kortom gedwaald: ‘-ik was een wandelaar, / andere gedichten zou ik hebben geschreven / was ik geen wandelaar geweest’. Onderweg ligt de schrijver naar de wolken te kijken in een oud bootje (een pieremachochel, mooi!) en zit in een park de omgeving te observeren. In deze afdeling vinden we geen cursieve terzijdes en zijn de verzen compacter. De observeringen in deze afdeling leiden naar de volgende zeven gedichten onder de noemer ‘Alles waait’. Ook hier vinden we zoekende poëzie. De dichter probeert de wereld om hem heen de duiden maar ‘al wat vaststaat liegt: alles waait.’ Ook in deze afdeling vinden we compacte verzen met uitzonderling van het laatste. Hier keren nog een keer de cursieve terzijdes terug en staat er in de tekst het teken voor vuur uit het klassieke Chinese boek der veranderingen.

In afdeling vier, ‘Passages’, vinden we zestien korte gedichten en één lang vers. We zien de dichter dwalend door de natuur en liggend onder een vlier. De korte gedichten zijn vaak prachtige stillevens, waarin de dichter blijk geeft van een scherpe blik en oog voor detail:

Ik hoorde iemand door een toeter naar roeiers roepen.
Ik zag de regendruppels blinken in het lege spinnenweb.
Ik zag de goudvislijven
trage oranje vlammen door de vijver van de hertog slaan,
het klaproosje in de wei doorbuigen onder het gewicht van de bij.

Naast de inhoud valt hier de mooie klankrijkdom op: de oe’s in de eerste regel (‘toeter, roeiers, roepen’), de i in de tweede (‘blinken, in, spinnenweb’) , de aa-klank in de vierde regel (‘trage, oranje, vlammen, slaan’) en in de afsluitende regel de oo (‘klaproosje, doorbuigen’).

De bundel sluit af met zes gedichten getiteld ‘Narrenliederen’. Hoewel, afgesloten… Op het achterplat vinden we ook nog een gedicht. In eerste instantie lijkt het te gaan om verspreide citaten uit de bundel maar het is toch echt een op zichzelf staand gedicht. De gedichten in het laatste hoofdstuk kunnen mijns inziens gelezen worden als een soort samenvatting van de gehele bundel. Alle thema’s passeren de revue: de raadsels van het leven, het dwalen in de zonbeschenen natuur, de dieren en insecten.

Alles waait is een schitterende, afwisselende bundel. De poëzie is zowel concreet en verstaanbaar als abstract en raadselachtig. Kortom: alles waait, ook de poëzie in deze bundel. Ter afsluiting volgt hier een gedicht uit het afsluitende hoofdstuk:

In de schoot geworpen gekregen, onverwacht, onvergeten.
Dingen die ertoe deden.

Handreikingen van een kromme vlier
in vogelkwetterend juli
aan een in zijn schaduw uitrustende wandelaar.

Beloftes door de nachtgracht gedaan
aan een late fietser
op de terugweg van zijn meisje naar huis.

Wat je toebehoort maar waar je niet over beschikt,
onverklaarbare maar daarom nog niet
minder bestaande zaken, oude verkondigingen,
boodschappen wellicht, de minnaar mag het weten,
geheimen tussen jou
en de ritselende boom door de zon beschenen.


____

Frans Kuipers (2019). Alles waait. Atlas Contact, 72 blz.  € 21,99. ISBN : 9789025454555

 

Geplaatst in Recensies.