Geert Zomer

Geert Zomer (Gorinchem, 1963) was in 2011 en 2012 stadsdichter van Harderwijk.
Hij bracht twee poëziebundels, Waakvlam en Zomernacht, in eigen beheer uit. Daarna verschenen van hem de bundels Bloedmaan (Demer), Binnenman (Liverse) en Weerbericht (Liverse).
Momenteel werkt hij aan Wolfjelief en de windsoldaten. De onderstaande gedichten komen hieruit.

 

foto Christel Mastenbroek

 

Vertrektijden

Tegen de achtergrond van omgewaaid hout heffen fossielen hun vuisten,
breken zich los uit oeroude lagen. Omsingelen huizen, jagen de honden
met stenen de stad uit, slaken huiveringwekkende kreten over de leegte
van het plein.

De muren zijn los, de pannen gevallen, de ramen gebroken, de deuren
zijn open voor wie het maar wil. Mensen, zij troepen zich samen, roepen
in scholen hun kinderen bijeen. Vlagen reppen zich richting een uitgang,
God mag weten waarheen.

Wolven janken zich tot over de einder waar wolken hun leed laten vallen.
Blagen, zij brallen, zij brullen en schreeuwen zich over schuttingen heen.
Daarginds is de weerwil, de strijd en de zegen, maar hier duikt iedereen
in wanhoop ineen.

De storm is gedekt, maar de wegen immer door bomen versperd.
De straten nog nat, de daken vol gaten, gebouwen ontzet. Het cement
van de stad heeft z’n houvast verloren. De uren strekken zich uit naar
hun dromen, waarin de waan verstoppertje speelt in de nacht.

Er zijn veel stappen te gaan, nog jaren te nemen. Een zonderling loopt
zonder acht te geven zijn toekomst achterna. Minuten krullen zich om zijn
benen. In zijn mond verzamelen zich cafégesprekken. Het verleden
achtervolgt hem als een moegestreden hond, terwijl burgers op het punt
staan voor altijd te vertrekken.

Stadsnomaden dansen op wankele tafels. Dames laten zich gaarne
verleiden door bronstig geweld. Er is niets te verdienen. Geld heeft zijn
waarde verloren. Vertrektijden zijn doorgekrast op een overvol station.

 

 

En de dingen

En de dingen, zij zagen andere dingen, plaatsen waaruit te vertrekken,
plekken om aan te komen, huizen om in te verdwijnen. De dingen zagen
stalen rails waarover schurende treinen richting verten reden waar
dromen zich verzamelden op lege perrons.

En de dingen zagen oorlogen waarin houten soldaten vuur uitkraamden
in dienst van tinnen generaals en glazen koningen. En de dingen zagen
bergen, door dalen omringd. Beren die ongelovig door nevelen staarden
op zoek naar hun heiland, wolven die huilend ontwaakten. En de dingen
zagen steden groeien aan oevers van rivieren, gebouwen die hun armen
om kamers heen sloegen en kinderen die zich verstopten in kelders.

En de dingen zagen de boeken. Zij juichten, stierven, werkten of zwegen
en duwden hun lichamen tegen zwaarmoedige liefdes. En de dingen zagen
het donker. Mannen in zwarte pakken, rafelend langs de dood. Hun
vrouwen, in barensnood, in stevige bedden gelegen. Wasgoed, deemoedig
aan lijnen gehangen, kasten grondig geboend, vloeren glanzend
gedroogd. En de dingen zagen hun dochters en zoons, het élan van hun
handen, de strekking van lijven, hun licht nog lang niet gedoofd.

 

 

Honey, don’t break my heart,

als sloophonden bomen omvertrekken, slaaphonden zich in dromen
uitstrekken, dwaalhonden hemeltransreizen maken in kosmische
microgolf, achtergrond straling, op zoek naar engelen, daders, slagers
en goden en als men profeten verwijt dat het einde der tijden verankerd
ligt in het allereerste begin.

Honey, don’t break my heart,

Als betogers soldaten verdrijven. Als vuurmonden de hitte beschrijven.
Als zij, die gaan strijden, zo puur zijn dat ze niet anders kunnen dan hun
terrein tot podium maken, als kinderen die op schoolborden krijten.

Honey, don’t break my heart,

als waakhonden grenzen stukbijten, hun stalen tanden overeenkomsten
splijten. Koren niet zingen maar krijsen in zware, woedende stormen.
Als in de stad van het gele verdriet mannen in witte pakken de straten
bedwingen. Als rukwinden stenen optillen, ruiten versplinteren van huizen,
gebouwen en auto’s die met vliegende vaart over snelwegen schieten, om
te verdwijnen in tomeloze verten.

Honey, don’t break my heart,

als leugens zich verheffen tot in de wolken, teckels keffend de nachtbar
bevolken, stripteasedanseressen grandioos dansen op chaos, hoempapa,
salsa en troost. Als heren hun zinnen verzetten, zinnen zich tot wetten
versterken. Als mannen zo lang moeten overwerken dat het daglicht niet
wordt gezien, hun kinderen nooit thuis zien komen.

Honey, don’t break my heart,

als wij nooit worden gevonden. Als mijn dromen, mijn dromen niet zijn,
mijn leven mijn leven niet is, zowel binnen als buiten mijn pijn. Als mijn
zinnen hun raadsels prijsgeven, ons meesterwerk nooit wordt geschreven.
Als je door rood gaat, het blauw volgt, het dal neemt, de bergen trotseert.
Als je hand wijst naar een horizon, hier ergens ver vandaan, waar de
droomgod in een droomland leeft, een prins zijn witte paard de sporen
geeft en gedichten uiteenvallen in letters, waar wij ooit uit ontstonden.

Geplaatst in Gedichten.