Hans Van Miegelbeek

Hans Van Miegelbeek (Gent, 1966) woont en werkt in zijn geboortestad, signeert graag met een Gentse groet. Hij groeide op in het kleine dorp Michelbeke, gelegen in de Vlaamse Ardennen. Mens en relaties, mens en milieu zijn dikwijls bronnen van inspiratie. Hij publiceerde reeds in de Poëziekrant en regelmatig ook in Het gezeefde gedicht. Hij nam deel aan de twee edities van Poëzie op straat.

foto Line Poels

 

 

Gekooid in de Bangerdstraat
          naar J.C. Bloem en naar een choreografie van M. Sartzetaki en I. Poels

In zijn hoofd steekt een kooi
verankerd met gewichten van kritiek
drie generaties diep.

Hij klopt en stampt wild om zich heen,
zwaait met zijn armen tot het overgaat
in wapperen om te vliegen als Icarus,
maar het helpt niet.

Hij loopt zo hard hij kan, probeert zigzag
te lopen zoals alleen konijnen dat kunnen.
Bij hem dus niet.

Hij treurt, krimpt tot hij binnen kan,
klaagt en knaagt er aan de tralies
Dan pas kan het deurtje dicht.

Van daaruit ziet hij hoe konijnen zigzag lopen
en vogels spelend vliegen.
En hij krimpt nog meer.

Tot ook hij leert vliegen in zijn kooi
en zigzag lopen op tien cm diameter.
Nog krimpt hij verder tot hij tussen de tralies kan.

Maar het is niet meer nodig.
Hij is nu domweg gelukkig in zijn kooi.

Zijn kooi.

 

 

O Fortuna
            (uitslag na een one night stand)

Hij is niet meer dan een vlek
in het licht van de kamer,
een anekdote achter glas.

Buiten loopt het Chinees
Nieuwjaarsfeest, de stoet
van zijn herinneringen.

Een draak op straat ritselt
als in zijn jeugd, schudt zich
een plaats in de aandacht.

Haar foute blik temt draken.
Schubben legt hij alvast af,
geen maskerade.

Ze laveren tussen armen en benen
naar een bar die trendy maakt,
vinden de weg naar boven.

Hij schrijft er een lijn bij
in de palm van haar jonge hand.
Zij maakt geen vuist.

Zo kwam het bij hem binnen.
De uitslag na het bezoek van gisteren,
scheurt helder onder ziekenhuislicht

zijn tijdslijn af.

 

 

Gezouten en gekruid

Zij bewaart haar littekens met een snuifje zout.
Zo hoeft zij geen uien te schillen om te tranen.

Hij bewaart zijn littekens op sterk water,
gekruid met stoere verhalen, opgeblonken
als harnas van een held, klaar voor de parade.

Thuis zijn is dagelijks elkaar kruisen.
Zij verwijt hem de halen van zijn mes,
hij haar stekelig krabben op zijn rug.

Alleen ‘s nacht liggen ze naakt
en ongezouten rug aan rug.

 

 

 

Geplaatst in Gedichten.