Roelof ten Napel – Het woedeboek

Wolvenzang

door Peter J.R. Vermaat


Met zijn bundel Het woedeboek heeft Roelof ten Napel een fenomenaal debuut afgeleverd. Goddank weet hij, geheel buiten de mode van pseudofilosofie en als surrealisme vermomde dronkemanspraat, met zijn dolk van taal het papierwit zo te kerven, dat het huilt en zingt. Hij geeft stem aan de machine, de magnolia, het vuur en vooral de wolf. Daarover later meer.

De eerste en verreweg omvangrijkste afdeling van de bundel, eveneens ‘Het woedeboek’ genaamd, is opgebouwd uit een proloog (‘wolf’), dertien gedichten met als titels ‘vuur’, ‘wolf’, ‘machine’ of ‘magnolia’, zestien gedichten met de titel ‘psalm’ (veertien keer) of ‘gebed’, twaalf gedichten met wederom de titels ‘vuur’, ‘wolf’, ‘machine’ of ‘magnolia’ en ten slotte vier gedichten, getiteld ‘woede’, ‘jongen’, ‘hooglied’ en ‘nacht’. Na een zwarte pagina volgt de tweede afdeling ‘Jongen’, een cyclus van acht gedichten.

De eerste reeks gedichten laat zich lezen als een afwisseling van stemmen, die met de ‘ik’ in gesprek zijn over wat was en wat komen ging, mogelijk stemmen waarmee hij voortdurend met zichzelf in gesprek is. In een groter verband dringt zich het beeld op van een klassiek drama, waarin de protagonist in gesprek of tegenspraak is met steeds wisselende koren. Waar ‘vuur’ en ‘machine’ redelijk voor zichzelf spreken, kreeg ik bij ‘magnolia’ aanvankelijk weinig houvast (de variant ‘beverboom’ paste evenmin). De sleutel ligt volgens mij echter in de eerste ‘psalm’ (op p. 25) met daarin de passage ‘dit jaar zag ik voor het eerst / de magnolia niet bloeien, niet vallen / verspreid door de tuin.’: ik verbind hem met de vergankelijke schoonheid en het thuis – ooit – van de ‘ik’, een mogelijke ‘Hof van Eden’ die vergaan is en in de herinnering een leugen gebleken.

Met de wolf voelt de ‘ik’ zich het meest verwant en deze lezer gaat daarin meteen met hem mee. De wolf is naast een wezen van de schemer en het duister, reisgenoot van de dood en vertrouwd met bloed en vertering, hierin tevens een uiterst vitalistisch symbool en de sterke tegenstrever van het vals gebleken lichte bestaan dat in de magnolia wordt belichaamd. Niet voor niets krijgt in het volksgeloof de onweerhouden bloeddorst in de menselijke natuur de gedaante van de weerwolf, waarbij mens en wolf in gedaante één worden.

wolf

het hijgen langs zijn tanden,
een mechanica van haast
in zijn ledematen,

een wolf is vooral een belofte, vond je,
van een dier dat nog komt –

kom dan maar, dan maak ik je
dierbaar, steek ik de vlam van je schedel
weer aan


[p. 7]

Ten Napel begrijpt het stijlmiddel van het leitmotiv: door herhaling daarvan ontstaat een eigen idioom, waardoor de taal een muzikale kwaliteit krijgt. De chromatiek wordt die van de klankherhaling, in het bovenstaande gedicht van de o- en de aa-klanken. Op twee plaatsen zet de dichter de lezer al meteen op het wankelbare been: in r. 2 lees je in eerste instantie ‘haat’ waar er ‘haast’ staat, een mooi spel van connotatie van ‘tanden’, die je in plaats van een letterlijke lezing van een woord voor ogen getoverd wordt; in r. 7 vormt ‘dierbaar’ naast zijn letterlijke betekenis ook een versmelting van ‘dierlijk’ en ‘aaibaar’, wat meteen in dit openingsgedicht de ambivalentie van de wolf duidt.

In de reeks psalm-gedichten neemt Ten Napel ons mee naar een sterk Bijbels gekleurd landschap, waarin hij zijn jeugd heeft beleefd. Hij bezoekt het als een voorbijganger en veel is ook voorbijgegaan:

psalm (hij zegt: neem de tweede jonge stier)

er is geen treurwilg meer,
en langs het tegelpad zijn ook de bielzen weg.
dit jaar zag ik voor het eerst
de magnolia niet bloeien, niet vallen,
verspreid door de tuin.

god legt de dauw op mijn huid
maar niet op het gras, of op het gras
maar niet op mijn huid.

dat is hoe hij spreekt, hij
maakt er gebruik van. valt er een leegte tussen mij
en de wereld, vult hij die op –
een man zonder tanden, die me aankijkt,
zijn open handen voor zich, op en neer
alsof hij iets weegt,
zijn mond vol
van een herfstrode, bloedende tong


[p. 25]

Hoewel er in de gehele bundel nauwelijks hoofdletters voorkomen, is de spelling van ‘god’ (in plaats van ‘God’) veelzeggend. Evenals Gideon op de dorsvloer van Arauna aan God tot tweemaal toe om een teken vraagt (Richteren 6:36-40), ervaart de ‘ik’ in r. 6-8 dit wonder. In de derde strofe wordt deze god als weerloos (‘… een man zonder tanden …’, r. 12) en vredelievend (‘… zijn open handen …’, r. 13) getoond, maar in het beeld van een figuur met open handen, die op en neer worden bewogen, en een ‘mond vol / van een herfstrode, bloedende tong’ (r. 14-15) is tevens dat van de Fenicische god Moloch te herkennen: een monster met een opengesperde mond, waarin een vuur brandt en waarin, door de open handen omhoog te takelen, de offers (in Carthago nogal eens kinderen) aan de god worden ‘gevoerd’. De ‘god’ uit zijn jeugd wordt door de dichter als kindervretende afgod ontmaskerd. Het is buitengewoon knap hoe Ten Napel met ogenschijnlijk eenvoudige taalmiddelen deze suggestie weet te wekken.

In de vier laatste gedichten van de eerste afdeling culmineren de woede, het vuur en de liefde voor de jongen in de aanklacht die een geloofsbelijdenis is, die het geloof in de god van de vaderen terzijde heeft geschoven en die een hooglied, een liefdeslied tot klank brengt waarin de taal van de liefde opnieuw gemunt wordt. Nagel voor nagel hamert de dichter met taal zijn klanken in het hout, waaraan hij zelf hangt. Ongenoemd, maar hoorbaar, is hier de wolvenzang, die tegelijk vertrouwd en beangstigend is, huiveringwekkend en prachtig.

Na een letterlijk zwarte bladzijde volgt de cyclus ‘Jongen’, waarin het ontstaan en vergaan van de liefde voor een jongen in een licht en kwetsbaar timbre wordt bezongen.



daar in het venster zit een jongen,
zijn been hangt uit het raam,
hij leest een boek

hier dan is het moment om te roepen
want hij zal blij zij je te zien –

maar wacht nog even, want als je roept

zal hij opkijken, zal hij uit deze houding klimmen
terwijl hij zo mooi is, nu nog, het is mooi
hoe hij zit, tot je roept




je hebt je ogen op de letters maar je leest niet,
voelt een bries door je haren gaan, en wacht
alsof je dat altijd hebt gedaan –

wanneer heb je het begrepen? dat je durven
vallen moet, geloven
dat je licht bent, licht genoeg,

dat iemand moet weten dat je opkijkt
als hij roept –

je wacht op je naam, omdat hij het is
die je hem geven kan, en je boek ligt in je handen,
je been hangt uit het raam


[p. 67, 75]

Opnieuw in schijnbaar eenvoudige taal haalt de dichter de lezer binnen in zijn visioen van herinnering. Overtuigend en universeel, het relaas van een jongens-jongen is drempelloos beleefbaar voor een meisjes-jongen zoals deze lezer zichzelf kent. In deze reeks ben je tegelijkertijd op afstand aanwezig en deelgenoot van de intimiteit tussen twee zielen, die uiteindelijk elkaar weer lijken te verliezen of in elkaar opgaan. Jij is ik geworden, de dichter is de lezer en omgekeerd.

Een diepe buiging voor de dichter die dit alles volbracht heeft.

____

Roelof ten Napel (2018). Het woedeboek. Uitgeverij Hollands Diep, 80 blz. Prijs: € 19,99. ISBN: 9789048845132

Geplaatst in Recensies.