De dingen delen mij uit

Een dichter moet kijken en nu is het de tijd eropuit te gaan. Hij of zij verlaat het huis, trekt de voordeur achter zich dicht en stapt de buitenwereld in. De dichter is een getuige van zijn tijd, lees ik in een dichtersinterview.  Kennelijk hoeft hij alleen maar te kijken en bij thuiskomst te noteren wat hij zag. Maar ja ‘je gaat het pas zien als je het doorhebt,’ waarschuwde de gestorven filosoof uit Betondorp ooit. Aan de andere kant: misschien heeft de dichter het door. Hij kan immers beschikken over de dichtersblik. Om die te vinden schijnt hij wel op pad te moeten.  Wie niet meer dan een ommetje door de bekende buurt maakt en al gauw de eigen voordeur weer opent en de nog lauwe koffie opdrinkt, blijft te dichtbij. ‘Je moet niet alleen, om de plek te bereiken, / thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.’ Herman de Coninck schrijft het de dichter voor: verlaat het vertrouwde, laat de roestige blik achter je, hanteer de onbevangen dichtersblik. Onverwachte gezichten zijn gegarandeerd.

Ontvankelijkheid, verwondering zijn kenmerken van de dichtersblik. Het vermogen om open te staan voor de wereld wordt bij menigeen gestimuleerd door een vertrek uit het vertrouwde. Toch zijn er dichters die liever thuis blijven. Pierre Kemp woonde zijn leven lang in Maastricht. ‘Waarom zou ik reizen, ik ken mijn eigen tuin niet eens’, zei hij volgens zijn biograaf Wiel Kusters.  Hij schreef heerlijke gedichten. ‘Het is een bloem / om er met een vaantje om rond te gaan / en zacht te zingen. / Het is een bloem om niet meer burger te zijn, / maar een broer van een kinderhemdje in zonneschijn.’ Had Kemp dit wereldgedicht ook kunnen schrijven als hij minder honkvast was geweest? Misschien had hij de geur van het vertrouwde nodig om rond te kunnen kijken, misschien had hij in den vreemde bloemen niet eens zien staan.

Wat niettemin vast lijkt te staan, is dat de dichter op een bijzondere manier kijkt, dat is zijn dichtersblik. Hij kijkt heel precies en tegelijkertijd voorbij de dingen die iedereen ziet. Toch is ook hier de vraag of dit klopt.  Miriam van hee schrijft ergens: ‘Tenslotte willen wij steeds opnieuw/ hetzelfde zien’ en waarom zouden dichters op die regel een uitzondering vormen?  Telkens willen wij het huis zien, zoals kinderen dat tekenen. Werkelijke huizen mogen er anders uitzien, het huis in ons hoofd blijft altijd hetzelfde. ‘…een raam, een deur, een leien dak / en achter het raam een familie en laten we / vooral de schoorsteen niet vergeten / waar rook komt uitgekringeld’.

foto Alles-over-Helmond

Nu ja, zo werkt het algemene mensenhoofd, maar is het nu juist niet de dichter die zich losmaakt van het vastgezette beeld en dankzij zijn onbevangen blik noteert wat er werkelijk te zien is?  Opnieuw, het is de vraag. Judith Herzberg schreef:’ Alleen in een klein huis kan je behoorlijk denken / de muren zijn dichtbij genoeg / weren de regen met gesneden voegen / die regen moet je kunnen horen / het dak lekt op bekende plekken / daar heb je plastic neergelegd / emmers gezet, als er een raam is / zelfs een plant, alleen / in een klein huis / kan je behoorlijk denken.Hier is de dichter niet uit op het onverwachte. De natte werkelijkheid komt vanzelf dichtbij genoeg. De dichter vindt het best een zo klein mogelijk huis, natuurlijk lekt het er maar je weet tenminste waar. Zo, in dat kleine huis kun je denken en dichten.

foto Pixabay

Dit is, kortom, de tijd om eropuit te gaan tenzij je beter binnen blijft. De dichter is buiten of blijft binnen, maar in beide gevallen is hij opmerkzaam.  Hij noteert wat hem opvalt. Precisie in de waarneming lijkt gewenst, en tegelijkertijd is het verstandig niet al te gefocust te zijn. Behalve wat je opmerkt, zijn er immers altijd nog ‘de dingen waar je geen acht op sloeg’ (Arjen Duinker). Het kan lonen even niet te kijken. Dan vind je soms wat je niet zocht, iets dat achter de eerst waarneembare dingen ligt. Of je noteert een alledaags wonder ‘…, want wat is het anders: / de zon ging vandaag op om drie uur veertien, / en zal ondergaan om twintig uur één(Wislawa Szymborska). De dichter is een getuige zoals andere mensen dat ook zijn. Buiten of binnen kijkt hij. Vooruit kijkt hij, maar ook uit zijn ooghoeken. Wat hem opvalt, misschien een alledaags wonder, noteert hij en als hij geluk heeft, groeit ook hij daarvan. Rilke, in de vertaling van Menno Wigman: ‘…alle dingen waar ik mij aan geef / worden rijk en delen mij uit.’

(c) Jan Loogman

 

Geplaatst in column.