Cor Gout, Kees Ruys (samenstelling en redactie) – 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien

Tien keer vijf

door Hans Puper

10 voor 10. Toelichting: Tien Extaze-dichters van de jaren tien. Met een inleidend essay van Rutger H. Cornets de Groot. De dichters: Merel van Slobbe, Hanz Mirck, Dorien Dijkhuis, Daniel Bras, Heidi Koren, Giuseppe Minervini, Estelle Boelsma, Arnold Jansen op de Haar, Lisa Rooijackers en Maria van Oorsouw. Van ieder van hen zijn vijf gedichten opgenomen. De samenstellers zijn Cor Gout en Kees Ruys.

Cornets de Groot zegt in zijn essay ‘De vergeten s tussen geluk en zoeker’ terecht dat hij op basis van tien losse dichters geen algemene karakteristiek kan geven van deze jaren, want dat zou neerkomen op een tijdsbepaling. Bovendien, zegt hij: ‘In deze bloemlezing worden […] maar weinig uitspraken over deze tijd gedaan’. Deze dichters ‘zien het niet als hun taak om spreekbuis van die tijd of van hun generatie te zijn.’ (Dat laatste ligt voor de hand, want de leeftijdsverschillen zijn groot: zo werd Jansen op de Haar geboren in 1962, Hanz Mirck in 1970, Estelle Boelsma in 1971 en Lisa Rooijackers in 1994). Maar dan maakt hij de houding van deze dichters algemeen: ‘Ze hebben geen behoefte om de tijd stil te zetten en erover te reflecteren. Dat is iets voor archivarissen en boekhouders, voor historici en journalisten, voor chroniqueurs en romanciers: voor alle metiers kortom waarin wordt vastgelegd wat verloopt en vervloeit, en dat is niet wat dichters doen. Niet? hoor ik u denken. Nee. Dichters trekken vlot wat vastligt.’
Dat kun je niet in zijn algemeenheid zeggen. Als Cornets de Groot gelijk had, zouden we Maria van Oorsouw een archivaris, boekhouder of chroniqueur moeten noemen. In ‘Beschermengel’ zet zij de tijd waarin wij leven stil – ze beschrijft nota bene een foto – en wel heel precies: in de eerste regel staat dat zij een miniaturenagenda heeft opengeslagen bij week 35. Aan het begin van de tweede strofe schrijft zij dat deze zomer het gras onder de gestorven struiken verdorde. In combinatie met de gebeurtenissen in dit gedicht moet het om de laatste week van augustus in 2018 gaan. Een week later mocht het reddingsschip Aquarius (r. 5) niet meer uitvaren.
Ik vind het een van de beste gedichten uit de bundel. Ik citeer het daarom in zijn geheel. Aangrijpend zijn de laatste regels waaruit de wanhoop van de ik blijkt over het lot van bootvluchtelingen. Maar de bittere humor – de outfit van Willem Alexander – ontbreekt niet en dat maakt het gedicht nog indrukwekkender.

Beschermengel

een miniaturenagenda opengeslagen bij week 35
en een foto van vier mannen
ze zitten naast elkaar op de kade van Valetta
een kijkt achterom, de anderen kijken vooruit
achter hen de zee en een schip dat Aquarius heet
hun reddingsvesten zijn even oranje als de mantel
van Abraham die zijn zoon gaat offeren, het kleed
van de reddende engel die uit de lucht komt vallen
in een Vlaams brevier van 1277 heeft ook die kleur
de naam Isaak betekent hij lacht

het gras verdorde onder de gestorven struiken
deze zomer, de paarden zijn de heuvels op gevlucht
ik las in Genesis en knipte een foto uit de krant van
vier migranten uit Libië, ze zien er een beetje uit
als de drie wijzen uit het oosten en tegelijkertijd
als klonen van een koning in een bodywarmer die
medailles uitdeelt bij de Olympische winterspelen
toen ik ze ging tekenen zag ik ze onder mijn handen
veranderen in angstaanjagende inktzwarte vlekken
en lijnen die meer zeggen dan woorden kunnen
over de zee tussen Libië en Malta
en het strand bij IJmuiden, deze zomer
waar ik op het punt stond het water in te lopen
op zoek naar een horizon die weg was

Ook de gedichten van Heidi Koren vind ik bijzonder. Neem de eerste strofe van ‘Vaker gaat het goed’, een hilarisch moment na een nachtje stappen. Ik zie het voor me:

De stad ademt nog zeik van de nacht. Mannen houden zich met één hand
vast aan het paaltje waaraan het bord bevestigd (wildplassen verboden) en
pissen om het verst. Ik geef een duwtje in het voorbijgaan en gok
op mijn theorie. Oogcontact en schaterlachen.

Op grond van deze strofe zou je dat niet zeggen, maar het is een somber gedicht. Maar zoals gezegd verdraagt humor zich daar uitstekend mee. Het is een manier om ellende draaglijk te maken.

Heel anders zijn de gedichten van Giuseppe Minervini. Ze vormen een reeks onder de titel ‘Vangst uit Pantheïst en Zeemeermin’, gedichten over ‘De moeder’ en ‘Vader de zeemeermin’. Enkele doen surrealistisch aan. Ze laten veel associaties toe die bij herlezing veranderen, maar gaandeweg betekenis krijgen – of lijken te krijgen. De soms eigenaardige beelden, het ritme en de klank intrigeren me. Cornets de Groot schrijft dat je poëzie kunt opvatten ‘als de poging om met overgeleverde tekens en symbolen te ontkomen aan het systeem dat door die tekens en symbolen wordt gedragen en uitgedrukt’. Ik denk dat die definitie hier goed past. Neem de eerste twee strofen van ‘De moeder’:

Ik zie de knieën in het landschap
ertussen zuigt moeder een zwarte hond af.
Bij eb is het huid die zich opstapelt en een mond
als Möbiusband. Toen vulde zij het glas en
klopte haar in zand begraven sporthart slaperig.

Haar dood loerde om de hoek als een huis dat ik afspoelde
terwijl de stad me meerstemmig voorlas.

Hanz Mirck schreef een reeks van vijf prozagedichten die samen een kort a-chronologisch verhaal vormen – zo kun je ze tenminste lezen. Het derde, vierde en vijfde vormen een terugblik. De hoofdpersoon kennen we: ‘Een kind zag ik hangen aan de balustrade van een flat als een onrijpe vrucht aan een boom. Mijn oog is altijd open voor de kansen die me geboden worden. Ik schoot naar boven zoals ik al vele hekken beklommen heb, vrachtautodaken, treinen. Steeds heb ik geklauterd om op te kunnen klimmen. (…) Ik had een exploderende cadeauverpakking gered, waarin verpakt waren: een toegangsbewijs voor het presidentieel paleis, een vergunning om te mogen verblijven en een cursus tot brandweerman.’ In het vierde gedicht wordt hij publiek bezit, op ‘de kogellagers van de commercie, de ijzeren knikkers van de kijkcijfers (…)’. ‘En een stem gaven ze me ook, als ik mijn bek tenminste hield; zij hielden de uitzendrechten.’ Het loopt slecht af, we zijn dan bij het vijfde en laatste gedicht. De ‘ik’ identificeert zich bij een brand met een hondje dat zich nog binnen bevindt: ‘Geen hond wilde zijn leven riskeren, behalve ik. (…) Mijn vergunning brandde in mijn zak, voor ik het wist was ik zwart.’ Of opnieuw zwart voor de buitenwereld? In het eerste gedicht zien we hoe hij zich als een onheil verwachtende Odysseus het vervolg voorstelt. De eerste zin: ‘Als iedereen je heeft opgegeven omdat je nooit bent teruggekomen van je reis, en de vrijers van je vrouw inmiddels je huis bewonen en jij vermomd over de drempel stapt, zullen hun waakhonden je verscheuren, als ze niet worden tegengehouden.’ Door deze verwijzing stijgen de lotgevallen van de ‘ik’ uit boven het individuele: ze zeggen iets over de fundamentele eenzaamheid van ieder mens.

Een aanrader, deze bundel.

____

Cor Gout en Kees Ruys (samenstelling en redactie) (2019). 10 voor 10. Tien Extaze-dichters van de jaren tien. Met een inleidend essay van Rutger H. Cornets de Groot. Extaze / Uitgeverij In de Knipscheer. 96 blz. € 15,00. ISBN 9789062657568

Geplaatst in Recensies.