“herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen”

Een minuut stilte (1955)

1

De stad
rilt
onder zijn asfalt.

Ik steek al je lampen aan bij daglicht
om naar de stilte te luisteren.

Oorsuizingen van asters
narcissen
bloemen voor mijn broer –

Ik heb een voor een mijn bloemen gedoofd
om naar je oren te luisteren. – Luister maar:

je leeft,

zo zachtjes als de duif die men kan horen koeren op het Weteringcircuit
de éne voet die schuifelt,
de éne nek
die zich omdraait

en knarst.

© Sybren Polet,
uit Geboortestad, De Bezige Bij

 

 

Vrede

Wij herdenken onze doden
Onze eigen stille tocht:
Het zijn niet alleen de regels
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Het is zoveel meer:

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilte voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

© Leo Vroman, uit Slaapwandelen

Dodenlijsten

Dit zijn de namen der vermoorden,
mensennamen die een snik
loslaten als ik hen oplees
van het zwijgend papier.

Mijn vingers liggen hard en wit,
vreemde getuigen, aan de rand
der ontoegankelijke stilte
die hier kolomsgewijs is saamgedrongen.

Mijn ogen lopen door de rijen
der dodenlegers en herkennen soms
een naam waarachter een verglaasde blik
een lichtsein poogt te geven.

Of ook, zij stuiten op getallen die
niet meer dan maanden in hun armen klemmen:
een kind ligt daar vernietigd in het woud
van cijfers zwart op wit.

En daarom enkel, om de kinderlippen
wier kreet onder een ijslaag is verstikt,
vervloek ik wat er in de wereld rest
aan leven dat hun pijn niet kennen wil.

© Maurits Mok,
uit Stormen en stilten, J.M. Meulenhoff

Auschwitz

De wind vertelt het zonder het te weten.
Er is geen zegsman of gehoor gebleven
die u vermonden. Gij zijt opgeheven.
Ik weet opnieuw, dat ik u ben vergeten.

Linten van lucht, in trilling weggedreven,
kwamen de woorden niet weerom, de feiten
konden geen taal behouden en versleten.
Ieder bewustzijn bracht zich om het leven.

Met geblindeerde treinen meegegeven,
grauwe wagon op dood spoor afgehaakt,
ergens in barre oorden staat gij daar.

Krijtletters, door een vreemde hand geschreven,
bestemmen u van buiten koud en klaar
voor deze plek, waar gij werd zoekgemaakt.

© Gerrit Achterberg,
uit Verzamelde gedichten, Querido

 

Bommen

De stad is stil.
De straten
hebben zich verbreed.
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.

De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.

© Paul Rodenko,
uit Gedichten, Holland

Denken aan geluk

Denken aan geluk: een stilte
waarin alle woorden het eens zijn
leven en dood de lippen zijn van de zon
en de aarde ontsloten in onze gezichten
– o mond die open is voor de geboorte
Onzichtbare vogels vliegen in ons
de ziel is groter dan haar naam
alleen de vrees heeft de lach van ’t boze
heeft longen van zand – de vrees
die ons leidt in een dood zonder licht

Draag de vlakte in uw benen
.      de berg in uw schouders
geef de heuvel aan de vrouw en de zachtheid
terug aan het mysterie
wees van de minnende aarde
het ongeluk is een leeuw dien de liefde temt

© Herman van den Bergh,
uit Verstandhouding met de vijand, Querido

Lied

Het werd mijn droom in ’s werelds kring
volkomen zorgeloos
een schelp te zijn, een suizend vuur,
een rank, een wilde roos,

onkundig van geluk en leed,
van plan en overleg,
het stuifmeel dat de wind verwoei,
lichtzinnig langs de weg,

een vlinder op een lelieblad,
de vleugels bijna dicht
en trillende een oogwenk eer
zij opgaan in het licht,

een dauwdrop en een sneeuwkristal,
een smetteloze wolk,
een zonnestraat zo flitsend als
een wit geslepen dolk,

een vogel en een varen en
een heldre beek in ’t woud,
in het rivierbed een nog on-
gewonnen korrel goud,

de wierook en de myrrhe, en
het ruisend requiem,
doch schuldeloos en onbevreesd,
de lout’re, pure stem –

Alleen een mens droomt zo vergeefs,
ontwaakt zo moedeloos,
een vreemdeling voor schelp en vuur
en rank en wilde roos.

© Anthonie Donker (pseudoniem voor Nico Donkersloot)
uit De grondtoon, Querido

Meer en recenter werk

afbeeldingen Pixabay

Geplaatst in Gedichten.