LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Remco Ekkers – De secretarisvogel schrijft. Alle diergedichten

15 mei, 2019

Poëtische notulen

door Hans Franse

Dat dier en poëzie al eeuwenlang samengaan is iedere lezer welbekend. Het onderwerp is nog steeds actueel. We hebben het magistrale epos ‘Van den vos Reynaerde’, we hebben de Esopet. Nog onlangs was er in het centrale gebouw van de gemeentelijke bibliotheek Den Haag aan het Haagse Spui een tentoonstelling, waarin aandacht werd geschonken aan de fabels van Jean de la Fontaine vanwege de publicatie van de qua sfeer en metrum voortreffelijke vertaling van Rob Scholten waarbij Carlijn van Vlijmen de illustraties maakte, wat een prachtig verzorgd boek opleverde: een mooi cadeau voor jong en oud.
In de tentoonstelling werd ingegaan op het genre van de fabels. Veel schrijvers van fabels alsmede de illustratoren werden getoond. Uiteraard werd Aesopus wel genoemd. Het enige dat ik jammer vond was dat er nergens aandacht was voor onze eigen Middelnederlandse Esopet, het handschrift waarin zo kort en krachtig de fabels van Aesopus worden ‘vertaald’. Ik hoop dat Remco Ekkers het niet erg vind dat ik een fabel van Esopet hier weergeef; tenslotte kruipt mijn Neerlandistieke bloed waar het niet gaan kan.

Een wolf ende I lam goedertieren
Quamen drinken tere rivieren;
Si ghinghen drinken in II steden.
Die wolf dranc boven, dlam beneden.
Doe seide die wolf: ‘du bevuulst mi al
Dwater, dat ic drinken sal’. –
Ay, here’, sprac dlam, ‘wat segdi?
Dwater comt van u te mi’. –
‘Ja’, seide die wolf, ‘vloecstu mi toe’?
Dlam antworde: ‘Here in doe.’ –
‘Du doest’, sprac hi, ‘dus dede dijn vader
Wileneer, ende dijn gheslachte algader.’
Dlam sprac: ‘in was doe niet gheboren,
Twi soudicker af hebben toren?’ –
‘Noch’, seide die wolf, ‘horic di spreken;
Ic wane wel ic saels mi wreken’.
Die wolf sloech te sticken ende scoert.
Dlam nochtan hads niet verboert.
Dus vint I quaet man occusoen,
Als hi den goeden quaet wille doen.

Het zou leuk zijn hier zowel de Franse tekst als de vertaling van Rob Scholten bij te plaatsen, maar dan krijgt Remco Ekkers te weinig aandacht. En hij verdient voor Alle diergedichten veel aandacht.

De essentie van de fabels ligt in de laatste regels: de dieren worden neergezet in menselijke situaties waarbij ze de mensen een spiegel voorhouden, waarna de moraal volgt. De dieren verbeelden de menselijke maatschappij en het menselijk tekort. Dat deed Marten Toonder ook (zeer recent verscheen nog van hem Het leven der dieren, dat geen biologisch boek is maar een verzameling maatschappijkritische spotprenten). We moeten eigenlijk wachten tot de boeken van Anton Koolhaas als het genre iets anders wordt. Hij schreef verhalen, nog steeds leesbaar al hoor je er weinig meer over, waarin de dieren als dieren getekend zijn en als dieren handelen, zij het met menselijke trekjes. De hier te bespreken poëzie van Remco Ekkers brengt in zoverre iets nieuws dat de dichter zelf zijn intrede doet in de korte observaties, de gevoelige reacties, de notities. Hij schrijft als een secretaris een soort notulen van zijn relatie met dieren in dichtvorm. Niet voor niets heet de bundel De secretarisvogel schrijft. Die secretarisvogel komt voor in het eerste gedicht, waarin hij, namens de vogels, leden van de vogelbescherming uitnodigt. De 87 gebundelde gedichten in een mooi verzorgd boekje met leuke illustraties vormen alle diergedichten die de veelzijdige Ekkers heeft geschreven.
Zoals ik altijd doe las ik de bundel eerst zoals je een nieuw boek bekijkt: eerst wat bladeren, af en toe een gedicht lezen, naar de plaatjes kijken en een (te) snelle eerste indruk vormen. Aanvankelijk vond ik niet alle gedichten poëtisch in die zin dat ik ze soms achter elkaar opschreef waarbij aardige prozastukken ontstonden. Ik vraag me dan af waarom men dan de regels in stukken knipt. Wordt een prozatekst ineens poëzie als je hem in stukken knipt en in plaats van naast elkaar, de regels onder elkaar zet? Ik deed deze toets al bij het eerste gedicht, waarbij je je inderdaad een brief kunt voorstellen:

‘Geachte mevrouw,
Wij zouden u, als lid van de vogelbescherming graag eens persoonlijk ontmoeten op 29 januari in Theater de Lawei in Drachten. Wij organiseren daar voor de noordelijke regio een boeiende avond vol interactie, gezelligheid en informatie, waarin natuurlijk wij vogels centraal staan.’ De cursivering is van mij. Als je dat perspectief ziet, wordt de tekst poëtisch en geestig qua woordkeus en klankovereenkomsten en wordt opnieuw het bewijs geleverd, dat je over poëzie niet te snel moet oordelen en zeker niet op je routine mag drijven: poëzie is niet in stukjes gebroken proza, maar heeft meerdere lagen. Lees maar:

Wat kunt u verwachten?
Wij nemen u mee in onze fascinerende wereld
dichtbij en veraf aan de poot
van dia’s, nooit eerder vertoonde
video’s en levende soortgenoten

Er zijn kleine observerende gedichtjes bij, soms door een dier gedaan, soms verschijnt ineens de dichter:

Zwartsel

Er zat een oude zwarte kraai
in de open haard: was hij
uit de schoorsteen gevallen
zat hij te bekomen van de schrik
of had hij zich al neergelegd
bij deze kooi, achter het scherm?
Hij zat zo gelaten, doodstil.
Of was hij doodgekreukeld in de val?

Ik heb hem maar laten zitten
tot ik vanuit een andere hoek
een nieuwe prop papier weg-
gooide en verstrooid aanstak’.

Er hangt over dit gedicht, waarin ook veel aandacht is aan de klank, een waas van weemoed. Ook in andere gedichten vinden we die weemoed terug. Er is verborgen kwaadheid, maar deze wordt altijd mild getoond. In een van de vele kattengedichten vinden we dit heel duidelijk:

Vondst

In de boom gehangen
de kop naar beneden
pootjes geklemd in een vork
van nog jonge takken.

Vuilwit, doodstil
wat ooit een poes was.

Wie hing haar daar
en waarom?

We maken de liefde van spinnen mee, die gevaarlijk vrijen: de mannetjesspin zegt het in de laatste regels van het gedicht: ‘Je sluipt dichterbij tot je kunt paren / Met wat geluk eet ze je daarna niet op’. Bij de vijver van het Cobramuseum in Amstelveen vermomt de dichter zich tot een abstracte schilder, zijn dier wordt een creatie als van Karel Appel: de visvogelkatkoe. Er is ook een hele dierentuin aanwezig, waarin een komodovaraan tegenover een krokodil lui ligt te wezen. Toeristen belagen het dier van achter het glas en lopen vervolgens door: ‘De toeristen lopen verder naar de boa constrictor / die ook niet beweegt. Ze vervelen zich zoals / de dieren, maar zij kunnen weg’.
Ik raad de lezers aan het ‘Liefdeslied’ op pagina 94/95 te lezen en mee te puzzelen of het nu een liefdeslied van een krekel of een walvis is. Afgezien van de soms geestige, ontroerende gedichten (vooral als het om poezen gaat ) die, goed van constructie, anekdotisch van aard zijn, is er ook mooie lyrische poëzie. Ik wil deze recensie beëindigen met een gedicht dat de stilte van de ochtend weergeeft. Als de nacht optrekt en de schemer verdwijnt komt de gestalte van een paard tevoorschijn dat staat te slapen. Het is nog stil, maar met het stijgen van de zon verdwijnt die stilte in een helderder licht.

Ochtend

Nu kun je zien hoe naakt
de dag is nu het paard
uit het donker voortkomt.
Het stond te slapen, alleen.

Het staat te grazen
luistert naar het ritsen
van het gras, vogels
maken de lichte dag.

De zon komt op, kleurt
wolken steeds minder paars.
Herinnering aan stilte
verdampt tussen het groen.

Een mooi verzorgde gedichtenbundel met enkele lyrische hoogtepunten in een genre dat niet zoveel voorkomt, geïllustreerd door Sytse van der Zee. Als men van persoonlijke observaties van dieren houdt, waarbij de dichter uitdrukkelijk partij is, is dit bundeltje een aanrader.
____

Remco Ekkers (2019). De secretarisvogel schrijft. Alle diergedichten. Uitgeverij Kleine Uil, 105 blz. € 16.00. ISBN 97894922190987

     Andere berichten