Lunch

Zes maal per jaar reis ik naar de hoofdstad voor een vruchtbare gedachtewisseling met twee heren van niveau, Ralf en Pjotr. We lunchen in een eenvoudig restaurant en eten Flammkuchen, begeleid door een of twee glazen wijn. Het afgelopen jaar spraken wij over het hoge ik-gehalte in de hedendaagse geëngageerde poëzie, maanstanden en maandstonden in spirituele poëzie en de heer in klimaatneutraal verkeer.

De laatste keer stond Piet Gerbrandy op de agenda: de invloeden van Reve en Bernardus Silvestris op zijn poëzie, zijn vlammende erotiek en de interne symboliek van fietsen, zwemmen en de oude leren jas met vettige kraag. Ook op grond van zijn essayistische werk en kritieken verbaasden wij ons over het feit dat hij niet allang de P.C. Hooftprijs heeft gekregen. We spraken af dat ik de jury van 2020 zal adviseren die niet aan Ilja Leonard Pfeijffer, maar aan hem toe te kennen. Uiteraard zal ik daar geen ruchtbaarheid aan geven. Een heer werkt in stilte, dat spreekt vanzelf.

Gerbrandy’s prozagedichten hadden bij Pjotr tot enige wrevel geleid. ‘Wat is nu het verschil tussen een prozagedicht en een ZKV van A.L. Snijders?’ vroeg hij zich af. ‘Daar zeg je wat’, zei Ralf. ‘Ik kom daar niet goed uit. Neem dat prozagedicht van Willem van Zadelhoff in Het ei van Fabergé, hoe heet dat ook alweer …’
– “Brommertje”.
– O ja, “Brommertje”. Dat gaat zo: “Het begon langzaam. Iedereen keek gespannen hoe de eerste stralen het gras  streelden. De dag verhief zich, zonder haast. Een pastoraal brommertje doorkruiste de stilte. Zonder dat brommertje wisten wij niet hoe stil onze stilte was. En het bracht brood en kaas. Niet iedereen reed op het brommertje. Iedere keer genoot ik weer van het geluid van zijn motortje. Daar had ik genoeg aan. Gisteren hadden we geen brood en kaas nodig. We beseften niet hoe stil het was toen we de zon zagen opkomen. Het was geen dag als alle anderen. Het was zondag.” Vergelijk dat nu eens met het Zeer Korte Verhaal “Motorfiets” van Snijders.
– Ja, dat ZKV uit Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Heel kort. Zestien regels in een heel kleine bladspiegel. “Omdat het in het geheugen altijd zomer is, komt de jongen in de zomer zijn motorfiets laten zien.” En een paar regels verder: “De jongen start, hij gaat een demonstratie geven. Hij rijdt op het rulle, rechte zandpad naar het bos, steeds harder, vol gas. De motor lijkt te kwispelen, als een vrouw in een Parijse straat, 1890.” Ik zie het verschil niet, het kunnen alle twee prozagedichten of ZKV’s zijn.
‘Misschien heeft Conny Palmen gelijk met haar uitspraak “Een roman is een roman als er roman op staat”, zei ik. ‘Dat zou ook voor het prozagedicht en de ZKV’s kunnen gelden. Weliswaar vindt zij Mulisch een groot schrijver, maar dat betekent niet dat alles wat ze zegt onzin is. Als een dichter een stukje proza schrijft en dat in een bundel plaatst, is het een prozagedicht.’
Pjotr knikte bedachtzaam, Ralf dacht na. ‘Ik weet het niet’, zei hij na enige ogenblikken. ‘Maar is het echt van belang? Misschien moet je zelfs nooit onderscheid maken tussen proza en poëzie. Weet je nog? Sybren Polet?’
‘Bert Schierbeek’, zei ik.
– Nou ja, Schierbeek dan. “De gemeenschappelijke stam van de taal is de menselijke stem, geworteld in de diepste lagen van het menselijk bewustzijn. Die stem heeft niet speciaal proza of poëzie voortgebracht ter wille van de administrateurs van de Nederlandse letterkunde.”

De lunch was ten einde. Ik wilde de eerstvolgende trein halen om mijn diner in het eens zo slaperige stadje Z. niet te missen. ‘Het enige wat telt, is kwaliteit’, zei ik nog.

© Hans Puper

Geplaatst in Column.