Stijn De Paepe – Belgische ballades. Het land op de korrel.

Belgische ballades: kritiek in literaire stijl

door Inge Boulonois


Stijn De Paepe (1979) is sinds 2016 huisdichter van het Belgisch dagblad De Morgen. Dagelijks verlucht hij deze Nederlandstalige krant – en ook zijn Facebooktijdlijn – met een smeuïg vers waarin hij zijn land op de korrel neemt. Als ‘nationale hofnar van dienst’ fileert hij de politieke mores. Hij noemt zich rederijker en gaat daarmee in de traditie staan van de rederijkersgezelschappen, die in de 15e eeuw opbloeiden in de Zuidelijke Nederlanden.

Rederijkers beoefenden voordrachts- en dichtkunst in groepsverband. Hun focus lag op welsprekendheid en taalbeheersing, de inhoud varieerde van romantisch tot scabreus. Een van de versvormen die ze praktiseerden was de ballade. In algemene zin is dit een dichtstuk in strofische vorm, in enge zin heeft het daarenboven een bepaald metrum en rijmschema, een of meer refreinregels en regelmatig een envoi: een slotstrofe die doorgaans korter is dan de andere en de teneur van voorgaande coupletten belicht.

Uitgeverij Lannoo heeft van Belgische ballades een fraai en origineel boek gemaakt. In stijl, met quasimiddeleeuwse kleding en haardracht, prijkt de dichter op de cover. Alleen het brilmontuur verraadt dat hij een moderne rederijker is. Het binnenwerk, gezet in een saillant blauw font, valt op. Bovendien zijn op enkele bladzijden voor- en achterin de bundel ultramarijnblauwe patronen gedrukt met een subtiel, maar onmiskenbaar verwarrend optisch effect dat doet denken aan de confusie die uitspraken van politici nogal eens zaaien.

De bundel bevat ruim vijftig verzen, verdeeld over vijf hoofdstukken. Deze worden voorafgegaan door ‘De stand van ’t land’, dat als mottogedicht fungeert. In drie Perzische kwatrijnen ventileert De Paepe zijn klip-en-klare visie op de nationale politiek. De eigentijdse bril toont bepaald geen rooskleurig beeld:

De stand van ’t land

Het land is in bestofte staat
en wordt schrikbarend adequaat
van noord tot zuid, dag in dag uit,
geleid door koning Middelmaat.

Het onderwijs. Het wegverkeer.
Klimaat, migratie en dies meer.
De wil is weg. Men doet zijn zeg
en legt zijn ei en ziet wel weer.

Er wordt gekletst, geklooid, geklad.
Men moddert aan. Men doet maar wat.
Doordacht noch heus, noch rigoureus.
Dus wat verandert er? Geen spat.

In dit door rijm ‘klinkende’ hekeldicht wordt ‘gekletst, geklooid, geklad’, maar er verandert ‘geen spat’. Dankzij de hyperbool, de overdrijving – een stijlfiguur die De Paepe in de hele bundel met verve hanteert – blaakt het vers van ironie en humor. ‘De vlaamsche tale is wonder zoet’, schreef Guido Gezelle. Maar zoet is De Paepe’s taal niet.

Het eerste deel van de bundel luidt ‘Ballades en refreinen’. Zulke verzen met refreinregels lenen zich bij uitstek om er bij lezers eens fijntjes de eigen visie in te heien. De hekeldichter legt met flagrant taalplezier de liberaal, de sos (de socialist), de groenen en de nationalistisch rechts-conservatieven over de knie. Het gedicht met de pregnante titel ‘De Vlaams Belanger’ roept meteen veelzeggende associaties op met ene L. de Behanger. Ook ‘De tjeef’, de Belgisch-Nederlandse spotnaam voor de christendemocraat, wordt geridiculiseerd. Dat doet De Paepe in een ballade royal, een dichtvorm bestaande uit vier strofen van zeven regels (rijmschema: ababbcC – de hoofdletter, C, stelt de refreinregel voor). De laatste strofe:

De tjeef houdt ’t meest van lopen in de pas
en wendt nochtans frequent en graag de steven.
Hij remt en ondertussen geeft hij gas,
zegt ja noch nee, maar blijft daartussen zweven.
Er valt geen etiket op hem te kleven,
zijn pak, zijn huid en haar zijn antikleef,
tenzij natuurlijk ’t etiket van ‘tjeef’!

De meeste verzen in het eerste hoofdstuk zijn ballades royales, een vorm waarin het envoi evenveel regels heeft als de voorgaande strofen. De Paepe draait zijn hand evenmin om voor andere balladevormen. Het eerste gedicht is een chant royal, een waar kunststuk waarin hij de verkiezingen ‘bezingt’. Deze balladevorm telt maar liefst zestig versregels in jambische pentameter, vijf strofen van elf regels plus een vijfregelig envoi. Wat een verrukkelijke ironie dat het eerste hoofdstuk afsluit met een slechts vijftien regels tellende balladette, die als titel heeft: ‘Et pour les Wallons…’

In het volgende hoofdstuk, ‘Vijf voorzitters’, wordt gehakt gemaakt van achtereenvolgens Di Rupo, Gwendolyn Rutten, John Crombrez, Bart de Wever en Wouter Beke. Door de opvallende herhaling van de naam van die partijvoorzitters in de gedichten, krijgen de verzen een drammerige toon. Sneer na sneer wordt uitgedeeld. Over de opleiding van Rutten: ‘Ging zij slechts naar de kleuterschool misschien?’ Over Combrez: ‘Een man die met een scudraket / wil jagen op een ree / is lang niet zo onhandig / als het heerschap John Combrez.’ De Paepe maakt gehakt van tegenstrevers. Uitsluitend Wouter Beke komt er ‘bekaaid’ af met een epigram, een tweeregelig gedicht:

Hier blijf ik, beste lezer, in gebreke
Er valt geen fluit te zeggen over Beke.

‘Kortweg’, het derde deel, bevat gedichten die niet meer dan één pagina beslaan. Naast de uit kwatrijnen geconstrueerde verzen, staan hier enkele seriedichten en een rondeel. De veiligheid van ‘De Wetstraat’, een locatie vergelijkbaar met het Binnenhof in Den Haag, wordt als volgt beschimpt: ‘Een strand bedekt met kwallen / is veiliger terrein.’ Ook een ode ontbreekt niet. ’Niets dan lof’ steekt de loftrompet over de ‘kranige kliek‘ der (Vlaams-nationalistische) N-VA’ers, uiteraard niet zonder schamperheid: ‘Klein puntje: ze kunnen / niet tegen kritiek.’ ‘Homo politicus’, een Sicilaans kwatrijn, verklapt waar de politicus zich druk om maakt:

Terwijl de wederhelft al slaapt
en ik versuft mijn kostje prak,
bedenk ik hoe de leegte gaapt
als ik straks naast dat postje pak.

Het hoofdstuk erna, ‘Languit’, bevat weer langere gedichten. De Paepe blijft op dreef. ‘Graailand’, het eerste gedicht, heeft als slotstrofe:

Het land der Belgen is bezaaid
met slag dat naar believen zaait,
maar geen gegraai zo grof als dat
van ’t onvolprezen Brussel-Stad.

Het gezellig met een bulderlach beginnende vers ‘Kerstdiner met familie’ ontaardt in: ‘Opa keldert zonder tact / het VN-migratiepact, / waarna oma, nogal kwaad, / hem per fles de kop inslaat.’

In het vijfde en laatste deel van de bundel, ‘Drie oude krokodillen’, hekelt de rederijker stevig door. Gehakt maakt hij van een drietal illustere politici: Tobback Sr., Herman De Croo en Mark Eyskens. Deze tachtigplussers worden voorgesteld alsof ze zijn geboren in het tijdperk dat het dierenrijk nog sprak, of zijn aangetroffen als fossiel in de grot van Lascaux. Vanzelfsprekend wordt vooral de negatieve symboliek van de krokodil naar voren gebracht. Kostelijk is de uitsmijter, het laatste vers. Dit gaat over een politicus die tevens econoom, essayist en schilder is. De dichter laat de kwatrijnen letterlijk en veelbetekenend op -eyskens rijmen, waardoor de hyperbolisch ironie ervan af druipt om in de slotregels te culmineren tot ontluisterende frappe:

Mark Eyskens

U heeft een vlotte babbel
en veel aantrok bij de meyskens?
Weet dat het in het niets valt
bij de charmes van Mark Eyskens.

Natuurlijk: elke vogel zingt
zowat zijn eigen weyskens.
Maar niemand is zo fijn gebekt
als ’t fenomeen Mark Eyskens.

Als jonge snaak vertrouwd
met kabinetten en paleyskens
in ’t zog van trots des vaderlands,
de grote Gaston Eyskens.

Werd vrienden met notabelen
op talloos vele reyskens,
van Gorbatsjov tot Roosevelt:
ze waren vol van Eyskens.

Met Kohl en Blair en Mitterand
at hij diverse speyskens.
Nooit werd hij over ’t hoofd gezien,
de nochtans kleine Eyskens.

Zijn poging tot regering
hing aaneen met losse veyskens*.
Er waren negen Martensen,
maar slechts – hoera! – één Eyskens.

Met boeken, noch met schilderwerk
won hij roemruchte preyskens:
het laatste wat men wil in huis
is wel een échte Eyskens!


———-* ‘Veyskens’ zijn schroefjes

Stijn De Paepe maakt van hekelen een serieuze, dagelijkse taak. Van iemand die zich als rederijker afficheert, mag je perfecte, gebonden verzen verwachten. Daarin stelt hij geenszins teleur. Geen detonerend rime riche, geen hakkelend metrum, kortom geen rijmelarij. De meeste gedichten zijn jambisch, maar hij bedient zich ook van het trocheïsche, dactylische en zelfs amfibrachische metrum. Hij speelt met aanstekelijke geestdrift met taal, de gedichten zijn verrassend puntig en spitant en blaken van ironie. Aangenaam is ook de afwezigheid van Engelse woorden. Slechts een incidenteel Frans woord en daar blijft het bij.

Twee kanttekeningen. Het gedicht over Di Rupo vind ik door z’n flauwheid detoneren; dit had er van mij niet in gehoeven. Bovendien mis ik een inhoudsopgave.

Verder niets dan lof. Zalig zo’n bundel met gebonden, humoristische hekeldichten waaruit vakmanschap spreekt, een vak dat De Paepe beheerst. Ik kijk uit naar een volgende bundel waarin hopelijk, ter wille van de gelijkwaardigheid der seksen, een groter aantal vrouwelijke politici op de korrel wordt genomen. ‘Snedige, swingende en sappige rederijkersverzen’, staat op de achterkant van de bundel. En dat is géén ironie.

____

Stijn De Paepe (2019). Belgische ballades. Het land op de korrel. Lannoo, 120 blz. € 19,99. ISBN 9789401455244

 

Stijn De Paepe (Dendermonde,1979) studeerde Germaanse talen. Hij volgde een lerarenopleiding en gaf Nederlands en Duits in een middelbare school. Sinds 2003 is hij docent Nederlands, taalvaardigheid en muzische vaardigheden in Gent. Hij woont in Zele. In 2016 werd hij huisdichter van De Morgen. In september 2018 verscheen, ook bij Lannoo, zijn bundel Vers gezocht. Een gedicht voor elk moment.

Geplaatst in Recensies.