Louis Aragon – De Hollandse reis

Het Holland van Aragon

door Johan Reijmerink


In de zomer van 1963 verbleven de Franse dichter Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten zij onder meer Noord- en Zuid-Holland. De neerslag van deze reis vinden we terug in de bundel Le voyage de Hollande (1965), vertaald door Katelijne De Vuyst. Deze bundel bestaat uit zes afdelingen van wisselende lengte, voorafgegaan door een kwatrijn waarin de lezer gemaand wordt nooit de liefde in opspraak te brengen. Wie dat wel doet, mag het domein van de dichter niet betreden. Het zijn klassieke verzen met metrum, prosodie en rijm.

Voor het merendeel kiest Aragon voor verzen van acht lettergrepen of voor alexandrijnen. Daarmee plaatst hij zichzelf in de traditie van de middeleeuwse troubadours die het als hun belangrijkste taak zagen de lof en schoonheid van hun belle dame te bezingen. In het besef dat hij voor altijd tekortschiet, blijft hij volharden in zijn ode teneinde de utopie van de liefde na te jagen. De dichter voelt zich ‘een bedrieger, een dief die om zijn liefde te beschrijven de gevoelens van de woorden steelt’.

Hoewel we in deze bundeling een poëtisch verslag kunnen lezen van Aragons reis door Holland, dienen we deze reisgedichten bovenal op te vatten als een allegorie. Ze verbeeldt een reis van de dichter naar het hart van zijn geliefde onder klimatologisch barre en on-Franse omstandigheden in een land dat ‘drijft tussen lucht en water, tussen wind en regen, tussen bestaan en vergaan’. In zijn eerste vers uit de afdeling ‘Het vertrek’ legt hij al direct zijn kaarten op tafel: ‘Wat ik van je zeg geeft hoogstens een idee / Dat zich tot sneeuw verhoudt als firn / Als blauwe klokkenzang die de lucht imiteert / Een onvoltooide liefkozing.’ De minnaar presenteert zich in een onderdanige rol: ‘Ik leef van jou alleen en als jij zou zijn verdwenen / Viel ik dood neer stikte benam ik me het leven’.

Op het moment dat Aragon deze bundel samenstelde, was hij al ontstegen aan zijn surrealistische en socialistisch-realistische benadering. We maken in deze bundel de lyrische troubadour Aragon uit de laatste jaren van zijn dichterschap mee. Vormvast, beheerst en weloverwogen in woord en beeld. Muzikaal en elegant op de wijze zoals de Fransen vinden dat poëzie en muziek gelezen en gespeeld moet worden: met een onnadrukkelijke precisie die zo nu en dan onontkoombaar in deze vertaling verloren gaat. In hun culturele uitingen zit nogal eens een speelse ironie die de melancholische ernst ervan omkleedt. In de klassieke muziek is het werk van Francis Poulenc daarvan een sterk voorbeeld.

Terwijl Aragon op reis is met zijn vrouw Elsa door Holland, schept hij zich een paradijs ‘dat alleen […] [hen] toebehoort’. Hij observeert ‘dit blonde land / Als een viool zo rank’, maar geeft daarmee tevens een inkijkje in wat hem innerlijk beweegt. Het lijkt erop dat hij zijn Elsa in nieuwe gedaante ziet als hij met haar door andere gebieden reist: ‘Zolang ik je mag beminnen / Kan ik geloven in gedaantewisselingen / Van huis veranderen of van streek / En met elke woord dat je spreekt / Valt een nieuwe glans op de dingen’. Reizen roept niet alleen een metamorfose van landschappen, maar ook een metamorfose op in zijn beleving van de liefde voor Elsa.

Aragon schildert het Hollandse landschap met zijn ‘schitterende waterstraten’, dijken en polders in tegenlicht gedompeld, met molens ‘geëtst op de hemel’. Het alles bezit iets van ‘Armida’s tovertuinen’ en een ‘ongekende vredigheid’. In alles wat de ik beschrijft, verschijnt van achter het landschappelijk decor zijn bekommernis om het voortbestaan van zijn liefde voor en van Elsa. Hij is in deze tweede omvangrijke afdeling ‘Augustus drieënzestig’ bereid elke prijs daarvoor te betalen: ‘Niets wat ik niet verduur / Zolang de liefde als muziek blijft stralen’. We passeren Wassenaar, de doorkijkinterieurs van Hollandse huizen als echte stillevens waar ‘in grootse praal’ het daglicht doorheen stroomt. Een schilderij van Hobbema inspireert hem opnieuw het vlakke Hollandse landschap met zijn omvangrijke luchten te schetsen waarin vogels kunnen verdwalen. Dat roept hem onmiddellijk terug om zijn liefdesjacht voort te zetten. De hotel-buitenplaats ‘De Hooge Vuursche’ in de bosrijke omgeving van Baarn is een plek waar Aragon zijn spiegelende spel met de sterren en zijn gevoelens opvoert en door ‘achterwaarts’ te vliegen in de tijd, de scherpte van het woord, de blik en het gebaar opnieuw te vinden zijn geliefde tracht te imponeren: ‘Scherpziend en snel als een moeflon / Elsa zou ik je dan eindelijk behagen // Dat kan zijn zeg je dat kan zijn’. Het herrezen Rotterdam van Erasmus ‘Waar de moderne kunst haar beelden verheft’ komt in beeld. Aragon is zijn tijd vooruit, zelfs het aanvechtbare verleden met Indië en onze rijkdom komt langs. Amsterdam als omgekeerd Venetië verschijnt voor ons: eenrichtingsstraten zijn de vaarstraten van onze hoofdstad.

‘Het leven zal aan ons voorbij zijn gevlogen als een zwarte / zwerm zee-eenden’. In de derde cyclus ‘De rotzomer’ ondergaat Aragon het regenachtige Nederland: ‘Koning Regen met zijn vreemde discours’. ’s Nachts heerst er de rust op straat: ‘Alle vrouwen en mannen / Dromen er onder de pannen’. En ‘Al zijn achterklap / Ligt op een stoel / O het fatsoen / Van een deftig pak’. Met al zijn typeringen van land en volk, probeert de ik ondertussen te achterhalen wie hij is in zijn ‘kort aards bestaan / Tussen twee getijden’. Het is hem duidelijk dat het leven een plaats is: ‘Vol boze dromen en gezucht.’ Daarbij is het opmerkelijk dat niet hij maar het plezier en de poëzie voor hem hebben gekozen. Het toeval lijkt te regeren in zijn lief en leed. De nachtelijke regen houdt aan. De bloemenwinkels zijn al gesloten: ‘Het blijft treurig wachten / Zo zonder bloemen waar / Kunnen liefjes naar smachten’.

De vierde cyclus ‘Het blauwe en witte labyrint’ is de acteerplek waar hij zich telkens naartoe gedreven voelt. Zijn labyrintische tocht naar de ander blijft vol twijfel, angst en door innerlijke nevelen omhuld: ‘Door bedrieglijke velden en het dode water van de moerassen’ zoekt hij zich een uitweg: ‘Wat me verteert zeg ik met woorden die door de dood worden / gedragen’. Hij voelt zich bevangen door een ‘hopeloze tederheid’. Hij is bang het gevoel kwijt te raken. Hij moet ‘het gevoel stap voor stap heroveren op de verwoestende wind’. De ik kijkt vol melancholie over zijn eigen sterven heen naar de toekomst. De Delfts blauwe molenwieken zullen hen beiden overleven. ‘Het blauw en witte labyrint dat de Rijn aan zijn monding laat / ontstaan’ herinnert aan het achterland waar hij doorheen is gestroomd. Hier bevindt de ik zich in een delta van liefde ‘die ik bij de zee in het niets op zie gaan’.

‘In Eierland lachen gouden paas- en sleutelbloemen / De fraaie blauwe reiger toe’. Het eiland Texel doemt voor ons op: ‘Een zon lijkt in de schemer op een ei / En valt te pletter op de Mui’. In dit gebied zijn de vogels, de koeien en de bloemen alomtegenwoordig: ‘Hier eindigt de wereld en hier kun je vrouwe maan / Naakt tussen de duinen op zien gaan’. Aragon noemt het een mentaal gebied waar ‘verliefde harten zich een haven zoeken’. Het is een plaats waar de zelfreflectie verhevigd op gang komt: ’Elsa waarom smaakt mijn droom naar zielenstrijd’, hoewel ‘het liefdeslicht diep in onze ogen / In al zijn pracht lijkt te gloren’. Het lijden lijkt voor even plaats te maken voor vreugde die toch weer pijn geeft.

In de laatste cyclus ‘Verdwaalde zangen’ weet Aragon in door de natuur geïnspireerde beelden een weemoedige atmosfeer op te roepen waar ‘Vogels de lucht […] paraferen’. Schoonheid laat zich hier aanraken. De dichter vraagt zich dan ook terecht af: ‘Waarom zou ik naar rijmen zoeken / Voor een geluk puur als de lucht.’ De volmaaktheid van deze ogenblikken is zo intens dat de geliefden wensen, als zij verdwenen zijn, ‘de morgen een zin vond / Om aan de toekomst te geven’. Deze tocht is een allegorische hommage aan Holland, hun liefde en de Liefde en de Schoonheid die er altijd zal zijn.

Er zijn op diverse plaatsen kwestieuze vertaaloverwegingen met betrekking tot woordbetekenis en zinvolgorde af te lezen die zich nu eenmaal altijd voordoen bij het vertalen van poëzie. Vertalen is schrijven met een andere stem. In ‘Tout ce que je vois / Au son de ta voix / Quitte ses couleurs premières’ weet De Vuyst weer een Nederlandse vertaling te leveren die én recht doet aan de Franse tekst én in het Nederlands zijn eigen karakter en ritme krijgt door woorden als ‘bemerk’ (vois) en ‘varen’ (quitte). Hoe lenig een vertaler moet zijn, laat ze opnieuw zien in een passage als ‘Le sourd sanctuaire aux éteints parvis / D’un songe batave / Qui sait par nous seuls à l’écart suivi’ in: “Stil heiligdom waar geen licht meer scheen / De droom van de Bataven / Zijlings gevolgd wie weet door ons alleen’. Het omarmend eindrijm is gehandhaafd tezamen met een vondst als ‘zijlings’. De Vuyst lukt het in haar vertaling te spelen met allitererende en assonerende klanken in beide talen: ‘Une vaine forêt d’hiver un silence absent d’oiseaux’ in: ‘Een vergeefs winters woud een stilte waar je geen vogels hoort’.

De vraag is misschien wat De Vuyst ertoe bewoog dit werk te vertalen. Een ‘werk van liefde’, een persoonlijke affiniteit met de Franse taal en cultuur en/of nieuwsgierigheid naar de poëzie van Aragon? Zij heeft al met al een zeer leesbare en soepele vertaling voorgelegd. Deze reis verdient het meer bekendheid te krijgen vanwege de schoonheid van de taal en het bezongen land.

 

____

Louis Aragon (2019). De Hollandse reis. Vertaling en nawoord Katelijne De Vuyst. Uitgeverij Vleugels, 128 blz. € 23,50 ISBN 9789078627678

Geplaatst in Recensies.