De favorieten van Alja Spaan

In deze nieuwe serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Alja Spaan.

 

Ik schreef een brief van liefde.

‘Ik wil je man zijn.
Ik wil dat je geen ander meer verwacht.
Ik zal geen ander meer verwachten.

‘Ik stuurde dit niet weg
ik wachtte zeven jaar.
Toen schreef ik hem zevenmaal over:
een voor jou
een voor een ander (wit)
een voor een ander (zwart)
een voor iemand toen ik tien was
een voor mijn dochtertje
een voor mijn moedertje
een voor die altijd al komende
ritselend tegen mijn raam als het waait
(rood), nooit gezien nog.

En ik viel in een diepe slaap.

Ik ontwaakte een vroege morgen
met aan mijn zijde zeven brieven,
mijn geslacht in kramp gestrekt
van oud bloed dat niet doorstroomt,
en handen in een gebaar van verscheuren
Maar ik verscheurde ze niet.

Huub Oosterhuis, uit: Gedroomde God (Ambo bv, 1983)

 

 

my father moved through dooms of love,

my father moved through dooms of love
through sames of am through haves of give,
singing each morning out of each night
my father moved through depths of height

this motionless forgetful where
turned at his glance to shining here;
that if(so timid air is firm)
under his eyes would stir and squirm

newly as from unburied which
floats the first who,his april touch
drove sleeping selves to swarm their fates
woke dreamers to their ghostly roots

and should some why completely weep
my father’s fingers brought her sleep:
vainly no smallest voice might cry
for he could feel the mountains grow.

Lifting the valleys of the sea
my father moved through griefs of joy;
praising a forehead called the moon
singing desire into begin

joy was his song and joy so pure
a heart of star by him could steer
and pure so now and now so yes
the wrists of twilight would rejoice

keen as midsummer’s keen beyond
conceiving mind of sun will stand,
so strictly(over utmost him
so hugely) stood my father’s dream

his flesh was flesh his blood was blood:
no hungry man but wished him food;
no cripple wouldn’t creep one mile
uphill to only see him smile.

Scorning the Pomp of must and shall
my father moved through dooms of feel;
his anger was as right as rain
his pity was as green as grain

septembering arms of year extend
yes humbly wealth to foe and friend
than he to foolish and to wise
offered immeasurable is

proudly and(by octobering flame
beckoned)as earth will downward climb,
so naked for immortal work
his shoulders marched against the dark

his sorrow was as true as bread:
no liar looked him in the head;
if every friend became his foe
he’d laugh and build a world with snow.

My father moved through theys of we,
singing each new leaf out of each tree
(and every child was sure that spring
danced when she heard my father sing)

then let men kill which cannot share,
let blood and flesh be mud and mire,
scheming imagine,passion willed,
freedom a drug that’s bought and sold

giving to steal and cruel kind,
a heart to fear,to doubt a mind,
to differ a disease of same,
conform the pinnacle of am

though dull were all we taste as bright,
bitter all utterly things sweet,
maggoty minus and dumb death
all we inherit,all bequeath

and nothing quite so least as truth
–i say though hate were why men breathe–
because my Father lived his soul
love is the whole and more than all

e.e. cummings, uit: Selected Poems, IV Portraits (3), (LiveRight, 2007)

 

 

Ligstoel
.      voor Jan Fabre

Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt
als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:
je beiden handen. Geuren lanterfanten door de tuin.
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar

in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig.
Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas
horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf
nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.

Er is te weinig weinig. De vergevingsgezindheid
van het niets waarin wij, als we eveneens
niets zouden zijn, zouden passen.

De lucht is zo blauw als vergeetachtigheid.
De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds
linnen werd gewassen om witter te zijn.

Herman de Coninck, uit: Nu, dus / De gedichten (De Arbeiderspers, 1998)

Geplaatst in Gedichten.