Paul Roelofsen – Een bloembed, een bloedbad

Een zonnige herfst

door Hans Puper

De titel van de nieuwe bundel van Paul Roelofsen is intrigerend: Een bloembed, een bloedbad. Qua vorm zijn die woorden sterk op elkaar betrokken (alliteratie, binnenrijm, klemtoon), maar qua inhoud lijken ze ver uit elkaar te liggen. In de bundel zie je een parallel met leven en dood: ze horen onverbrekelijk bij elkaar en in veler ervaring of wens liggen ze ver uiteen.
De dood speelt in de bundel een belangrijke rol: de aankondiging ervan in het verval, de wreedheid van een plotselinge, vroegtijdige dood, de aanvaarding en ook de doodsangst. Daartegenover staat de liefde, ook in verschillende gedaanten: verliefdheid, oude liefdes, de geliefde vreemde et cetera. Kortom: een bundel over de essenties van het leven.
Een voorbeeld van die doodsangst zien we in ‘De klop van een bang hart’. Ik citeer de laatste twee strofen. Een reis naar het paradijs blijkt vruchteloos, ‘je wordt er niet gelukkig van, integendeel’:

rest nachtbraken al zijn de flessen leeg
en wachten, wachten
wachten tot de dag aanbreekt

de wanhoop overwaait maar niet verdwijnt
omdat men nergens veilig is
tenzij morsdood of ongeboren blijft

De elliptische laatste regel kun je op twee manieren lezen: ‘tenzij men morsdood is of ongeboren blijft’ en ‘tenzij men morsdood blijft of ongeboren blijft’. In het laatste geval zou een leven na de dood de ‘ik’ als onveilig voorkomen. Zo zou je ook de laatste strofe van ‘Déja vu’ kunnen lezen: ‘zeg veerman / die oever zonder overkant wilt u mij / daar overzetten?’ Toch kent de dichter een paradijs waarin hij wel gelukkig was, maar dat was een paradijs op aarde: dat van zijn vroege jeugd, waarin hij nog geen denkend dier was en zich daarom nog niet bewust van de eindigheid van het leven. In het eerste gedicht, ‘Buitenkind’, lezen we: ‘ik begreep niet, ik wist niet, ik sprong / en was gelukkig / als een dansende koe in de wei.’ Alleen het leven in het nu, door simpelweg te zijn en dat zonder nut of noodzaak, brengt geluk. Niet voor niets is ‘Zwerfgodin’ de titel van het gedicht over een leeg zwevend plastic boterhamzakje. De laatste regel: ‘geen vuiltje aan de lucht.’

Een bloembed, een bloedbad is ondanks de beschreven condition humaine geen somber aandoende bundel. Dat blijkt ook uit de titels van de afdelingen, die zonder uitzondering citaten uit gedichten zijn. Ze geven op enigszins ironische wijze een levensloop weer: ‘Geen vuiltje aan de lucht’, ‘Wij lopen verder en aaien nog een poes’, ‘Ach oude smeerlap, wat zou het’ en ‘Iets bekends uit de wartaal van toen’. Het motto van Ivo van Strijtem past op een wonderbaarlijk goede manier bij die toon: ‘want ik wil vrede in de wereld en ook / naakte vrouwen die mij afschermen van de dood.’
Paul Roelofsen is voor een deel een dichter in de traditie van Heine, Piet Paaltjens, Reve en Lévi Weemoedt: melancholie, humor, absurditeit en zelfspot. Hij uit zich licht en bescheiden, hij is geen schrijver van intens smartelijke gedichten over een jong hart in een oud lichaam en de onoverbrugbare kloof tussen droom en werkelijkheid. Een mooi voorbeeld is ‘Trein gemist’, een titel die meerduidig blijkt te zijn:

Na een kop juliennesoep in de wachtkamer
eerste klas van het Centraal Station te Amsterdam
al weer naar buiten om de volgende te halen

(er lopen te veel treinen)

deze miste ik ook

haastig terug naar de restauratie
waar de romige serveerster me direct herkende
en me zo veelbelovend toelachte
of zij al wist
een droom te zijn binnengedrongen
waarin het missen
van treinen het voorspel is

Opvallend is de goede woordkeuze van Roelofsen. Neem die juliennesoep, die in vergelijking tot gewone groentesoep als enigszins exclusief wordt gezien. Je zou zeggen dat het eten van zo’n soepje tijd en aandacht vraagt om ervan te genieten, maar niets van dat al: ‘al weer naar buiten om de volgende te halen’. Trein gemist, kopje soep, opnieuw naar buiten om een trein te halen, die ook weer wordt gemist. Wat zou hij nu bestellen? Nog een kopje juliennesoep? Het heeft iets van slapstick, zeker in combinatie met de opmerking dat er te veel treinen rijden. Heeft u een reiziger dat ooit horen zeggen? Hij blijft waarschijnlijk steeds te lang hangen in dat prachtige restaurant. Ook goedgekozen woorden zijn: ‘haastig terug’. Terug naar de ‘romige serveerster [die] me direct herkende / en me zo veelbelovend toelachte (…)’. De dromer. Het is waarschijnlijker dat zij om hem lacht, om de dwaas die alwéér binnen komt rennen.
Een eenvoudig gedicht, maar zo weloverwogen geschreven dat het een maximaal humoristisch effect heeft. Voortgedreven worden door een onvervulbaar verlangen, een geliefde die alleen in de droom bereikbaar is, er zijn vele romantische bundels over volgeschreven en niet door de minsten. Roelofsen doet het op zijn manier.

Ook zijn spel met uitdrukkingen valt op: het is een middel om de gedichten meerduidiger te maken. Ik citeer het gedicht ‘Onzekerheid’ als voorbeeld.

Niet dromend maar dromerig
vroeg zij hoe laat het was

het was midden in de nacht

dat zou je niet zeggen
meende ze en draaide zich om

zou ik dat echt niet zeggen?

na een doorwaakte nacht
vroeg ik het haar aan het ontbijt
bij een hardgekookt ei

nog even dromerig
wreef ze de slaap uit haar ogen

en vond dat ik daar nog maar eens
goed over na moest denken

De vraag ‘hoe laat het was’ zou je letterlijk kunnen nemen, met als antwoord ‘midden in de nacht’, maar ook als een vraag naar de stand van zaken in de relatie. Vergelijk: ‘Ik weet wel hoe laat het is, hoor, je wilt er weer vandoor’. In dat geval is ‘het was midden in de nacht’ geen antwoord op de vraag, maar een mededeling van het lyrisch ik: ‘Ze stelde me die vraag midden in de nacht’. En de regel ‘dat zou je niet zeggen’ kun je afhankelijk van de nadruk interpreteren als een verwijt, herinnering of afspraak. Het kan ook gaan om verbazing: ‘Goh, is het al middernacht? Dat zou je niet zeggen’.

Over het algemeen vind ik de gedichten die vanuit een lyrisch ik zijn geschreven beter dan de andere. Soms mis je daarin de weemoed, de zachte ironie en de humor. Dat perspectief van het lyrisch ik lijkt Roelofsen het best te passen.
Maar al met al is Een bloembed. Een bloedbad een boeiende bundel die ook nog eens ergens over gaat. En een gedicht als ‘Trein gemist’ mag in geen enkele bloemlezing meer ontbreken.

(Het is niet mijn gewoonte om te schrijven over bundels van mede-recensenten, want ik ben immers ook redacteur. Maar voor mijn 200e recensie maakte ik graag een uitzondering.)
____

Paul Roelofsen (2019). Een bloembed, een bloedbad. Reeks ‘Open’. Uitgeverij U2pi, 63 blz. € 15,00. ISBN 9789087598495

Geplaatst in Recensies.