“eindelijk vond ik de vorm die paste bij wat ik wil zeggen”

Rosa Schogt (Amsterdam, 1980) is actrice, theaterwetenschapper en redacteur, meestal alle drie tegelijk. Ze draagt graag en met verve voor, bijvoorbeeld bij Dichters in de Prinsentuin (2016, 2019) en Read My World (2018). Haar gedichten zijn in Revisor gepubliceerd en Ellen Deckwitz nam werk van haar op in Olijven moet je leren lezen. Eind augustus 2019 verschijnt haar debuutbundel Dansen te ontspringen bij de Arbeiderspers. De gedichten bij dit interview komen hieruit.

foto Ed Raket

 

Gefeliciteerd met je debuut dat in deze augustusmaand verschijnt. Je debuteert met een dichtbundel. Waarom dit genre?
Dank! Waarom ik poëzie schrijf, vind ik lastig te beantwoorden. Het is niet zozeer een bewuste keuze, als wel een onvermijdelijkheid. Datgene wat ik wil zeggen past precies in een gedicht en bijvoorbeeld niet in een verhaal of roman. Ik heb ook wel verhalen geschreven, maar de noodzaak ervan ontbrak altijd want ik wist nooit duidelijk wát ik nou eigenlijk wilde zeggen, hoe mooi ik het ook had opgeschreven. Toen ik poëzie ging schrijven, voelde dat als thuiskomen: eindelijk vond ik de vorm die paste bij wat ik wil zeggen en de noodzaak tot het schrijven ervan. Ik hou van de bondigheid, de raadselachtigheid en de dubbelheid die poëzie kan hebben.

Hoe is Dansen te ontspringen ontstaan? Hoe lang heb je eraan gewerkt?
Af en aan heb ik er ruim vijf jaar over gedaan, maar per gedicht wisselt het nogal. Sommige kosten maanden broeden, andere zijn in een kwartier opgeschreven. En daarnaast doe ik nogal veel andere dingen, dus het heeft ook vaak lang stilgelegen.

Wanneer ben je begonnen met poëzie schrijven?
Ik schreef, zoals veel pubers, flink wat nogal sentimentele poëzie in m’n dagboeken, zo rond m’n vijftiende, zestiende. En het gevoel voor ritme, rijm, enjambementen en woordspelingen is allemaal begonnen met het schrijven van Sinterklaasgedichten, toen ik een jaar of acht was.

Waar en wat heb je gestudeerd. Heb je een beroep of ben je anderszins bezig?
Ik studeerde Theaterwetenschappen met een minor Nederlandse literatuur en deed daarna een acteursopleiding. Ik ben werkzaam als freelance redacteur, actrice in jeugdtheatervoorstellingen. Ik ontwikkel lesmateriaal bij jeugdtheater en ik geef taal- en poëzielessen op basisscholen.

 

Hij gaat naar het ballet omdat hij wil ontkennen hoe de aarde aan hem trekt.
Terwijl hij bij theater nu al jaren weet dat die acteurs veel beter zijn
dan dat hij ooit gaat worden, bij concerten de behoefte niet meer voelt
viool te kunnen spelen, of gitaar, en ook niet beter zingen wil dan
wie dat ook maar staat te doen, zijn daar die dansers.

Al hun emoties, heel hun wezen omgezet in moeiteloze dynamiek.

En als hij straks naar buiten loopt, dan waagt zijn voet een kleine pas,
zijn arm een buiginkje, zijn handen zijn gracieuzer dan ze waren, en zijn rug
is recht, zijn hoofd draait scherp gecontroleerd naar links, hij kijkt
de Amstel af en voelt zijn licht geworden lichaam in de nacht.

Van al die dingen die hij zo ontzettend matig kan, wil hij het liefste
kunnen dansen – even maar – zo vloeibaar zijn, zo makkelijk, zo zacht.

Waarom is deze bundel belangrijk voor de lezers?
Deze vraag kan ik niet goed beantwoorden. Het is aan de lezer om te bepalen of iets voor hem of haar belangrijk is. Ik vind dat kunst (in algemene zin) belangrijk is omdat ik denk dat het de mens verrijkt, werelden opent, het kan aanzetten tot denken, ervoor kan zorgen dat men zich minder alleen voelt en bovenal: omdat het mooi kan zijn. Ik kan van mijn bundel alleen maar hopen dat lezers er iets aan hebben: misschien raakt het ze, vinden ze het herkenbaar, voelen ze zich begrepen, vinden ze het mooi of grappig of zet het ze aan tot denken. Dat zou fijn zijn.

Wat is het thema van de bundel volgens jou?
Dat vind ik een beetje jammer om te verklappen, ik heb liever dat de lezer er uithaalt wat hij of zij eruit wil halen. Daarnaast denk ik dat de flaptekst al heel wat weggeeft qua thematiek.

De gedichten die je hebt ingestuurd en met name het tweede gedicht vond ik proza-achtig en nagenoeg zonder stijlmiddelen geschreven. Wat maakt het toch poëzie volgens jou?
Oei, geen stijlmiddelen, dat is toch echt niet wat ik doe als ik dicht. Er zit veel ritme in, binnenrijm, ik werk met heel bewuste enjambementen, denk veel na over klanken, over hoe woorden een dubbele betekenis kunnen hebben en over hoe je dingen zegt zonder ze letterlijk te benoemen. Ik vind dat stijlmiddelen. Daarnaast is het natuurlijk heel lastig om te bepalen wanneer iets poëzie is en wanneer niet.

 

Mijn oma zou, als ze geboren was in ’80, niet in ’23,
wel geweten hebben hoe het tegenwoordig met de liefde gaat.
Ze zou niet trouwen met de tweede man met wie ze zoende,
ze zou zéker niet als maagd beginnen aan een huwelijk, nee,
ze zou gewoon eens meegaan met een onbekende, na een
leuke nacht ontdekken dat ze blijkbaar zo’n soort meisje was,
dat dit soort dingen kan en prima vindt.
Mijn oma zou dat nog eens doen, en nog een keer.

Mijn oma zou ervan genieten, ze zou eerst meedoen met de
grapjes van vriendinnen – haha ja, ik ben een slet, ik ga gewoon
naar bed met wie ik wil – ze zou de vrouwen met relaties graag
en uitgebreid vertellen wat ze deed met wie, en gaandeweg
zou ze bij elke opmerking het juiste antwoord vinden: veel?
O vind je dat? Ik hoop toch dat jij binnen je relatie vaker seks hebt.
Ze zou ontdekken hoe kleinerend vrouwen over vrouwen kunnen doen.
Mijn oma zou zichzelf geen slet meer noemen.

Mijn oma zou zo nu en dan verliefd zijn op een man
die weinig van haar wilde, met een ander slapen
puur uit wraak. Soms ook uit gemakzucht, of omdat het makkelijker was
dan uitleggen waarom ze eigenlijk niet wilde. Ze zou drie
vriendschappen met seks verpesten, vrienden worden met een man
met wie ze eerst geslapen had. Ten slotte zou ze leren dat je prima
vrijen kan met wie dan ook, maar zonder liefde maximaal drie keer,
omdat het daarna meestal ingewikkeld wordt.

Mijn oma zou natuurlijk wel relaties hebben, maar die gingen
weer voorbij omdat ze nooit genoegen nam met iets wat het
uiteindelijk niet was. Ze zou wel degelijk romantisch zijn, bij
elke afspraak zou ze hopen op de liefde, maar ze zou veel
sneller leren dat de liefde niet hetzelfde is als iemand
die jou nodig heeft, en trouwens, iemand zou haar minder
nodig hebben, het zou niet drie jaar na de oorlog zijn.

Mijn oma zou misschien – zij weet dit zeker maar ik
twijfel er nog aan – niet midden in haar huwelijk
ongemakkelijk een keertje voor een ander vallen.
En het zou hoe dan ook niet nodig zijn om later nog
te flirten met de vriendjes van haar dochters,
kleindochters; ze zou tevreden weten dat ze al genoeg
geflirt had, haar man een knipoog geven, in zijn billen knijpen.

Mijn oma zou de liefde vinden, aan de late kant, geen tijd
meer voor een zestigjarig huwelijksfeest, geen tijd
om samen op te groeien of vier kinderen te krijgen,
ze zou met een of twee genoegen moeten nemen, nooit
een achterkleinkind leren kennen. Ze zou niet in de auto
zitten met een kleindochter van tweeëndertig.
Mijn oma zou al ruimschoots dood zijn voor ze aan haar
kleinkind vragen kon: hoe gaat dat tegenwoordig met de liefde?

Hoe is de titel van de bundel ontstaan, wat betekent het?
De titel is een zin uit het gedicht Mijn lief is als Odysseus, maar de suggestie om juist deze zin als titel te gebruiken kwam van vriend en schrijver Luuk Imhann. Hoe langer ik erover nadacht, hoe meer de titel klopte bij de bundel. Overkoepelend zijn namelijk de vragen: “Kun je je ontworstelen aan de verwachtingen die de maatschappij van je heeft? Of moet je meedansen omdat je nu eenmaal opgroeit als meisje, als vrouw, in deze tijd, in deze stad, in deze huizen, deze bedden?”
Een ander soort dansen ontspringen dus dan de man uit het gedicht waar de zin uit komt. De omslagfoto van een vrouw die naakt is maar zich tegelijkertijd ontworstelt (of vastzit?) in plastic past daar wat mij betreft perfect bij.
Dat is trouwens ook een aanvulling op de vraag waarom de bundel belangrijk is voor lezers: mijn gedichten zeggen wat over het leven als vrouw in de stad, de samenleving, en over hoe mensen met elkaar omgaan.

 

Op weg naar huis

Het gaat steeds harder regenen
Anderen schuilen onder een boom
Jij fietst door: je bent immers al nat
Wachtend voor een stoplicht
vraag je je af waarom je in de vorige zin
het woord immers gebruikte
Het water loopt inmiddels
van je enkels je schoenen in
Of waarom inmiddels
Dat moet toch anders kunnen?
Als je straks de trap op loopt
maken de zolen een zompig geluid
dat in het Engels beter klinkt.

Je zegt tegen niemand in het bijzonder
dat je zin in inktvis hebt.
Geplaatst in Interviews.