Albertina Soepboer – Vertakkingen

Zoeken naar onderstroming

door Herbert Mouwen

Als lezer heb ik veel moeite gedaan om de gedichten van Albertina Soepboer in haar nieuwste bundel Vertakkingen te doorgronden. Ik heb gezocht naar persoonlijke thema’s en motieven die kenmerkend zijn voor haar poëzie en die mij op het goede spoor konden zetten. Dat is me slechts in geringe mate gelukt: ik voel me buitengesloten, ik blijf een buitenstaander. Mijn moeite doen ontaardde in langdurig ploeteren. Nadat ik de bundel enkele malen gelezen had, heb ik me zelfs afgevraagd of deze dichteres wel wil dat ik als lezer haar gedichten binnenstap, want het risico dat ik het opgeef en met een al te persoonlijke interpretatie van haar poëzie aan de haal ga, is aanwezig. Echter, gemakzucht heb ik op tijd van me afgeschud, maar de vraag bleef: mag ik als belangstellende lezer deelgenoot worden van haar gedichten? Of heeft de dichteres een hek eromheen gezet – zie de uitermate strakke vorm waarin ze geschreven zijn – om de lezer buiten te sluiten. Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat haar gedichten notities zijn van een impressionistische beleving van de werkelijkheid en dat ik ze ook als zodanig moet lezen. De gedichten zijn een stapeling van beelden, dromen en verlangens, in feite loodzwaar zonder enige relativering. Wanneer je ze leest met aandacht voor de muzikaliteit van de taal, zoals de klanken en het ritme, de zintuiglijke waarnemingen en de handelingen van de ik-figuur, dan worden deze gedichten toegankelijker. Impressionistische poëzie is in principe vluchtig, de opgedane indrukken blijven niet hangen. Daarbij heb ik het idee, dat deze poëzie zo niet bedoeld is. De dichteres schrijft ‘ik meet / alleen de snelheid van het licht, ik bouw aan herinnering’. Voor mij betekent dit dat je herinneringen wil vastleggen en niet door je vingers wil laten glippen.

De strofevormen in Vertakkingen zijn tegengesteld aan de inhoud van de gedichten. De gedichten zijn strak strofisch opgebouwd met gelijke regellengte; ze zijn als zorgvuldig geschreven blokken tekst aan het papier toevertrouwd. Hoofdletters worden niet gebruikt, lidwoorden soms weggelaten. Versregels – wellicht is segmenten een beter woord – worden begrensd door gedachtestreepjes, hoewel je je kunt afvragen of segmenten hier de juiste term is. Een enkele maal is het eerste segment zo kort dat deze het karakter heeft van een titel, ofschoon dit segment ook weer door kan lopen in de volgende zin, zoals in ‘de schreeuw – die over het water scheert die de echo / loslaat’. Binnen de segmenten gebruikt de dichteres komma’s, vooral bij de opsomming van beelden.

De bundel bestaat uit zeven afdelingen die verschillende gedichten bevatten. Binnen een gedicht is de vorm vast. Uit de ‘verantwoording’ van haar gedichten, die achterin de bundel is opgenomen, blijkt dat Soepboer zich o.a. laat inspireren door teksten uit de popmuziek. In vier gedichtencycli zijn citaten opgenomen uit ‘Sweet dreams’ van de Eurythmics, ‘Black Hearted Love’ van PJ Harvey, ‘The dreaming’ van Kate Bush en ‘Gabriel’ van Lamb. Deze citaten zijn in de gedichten cursief gedrukt. De betekenis van de titel Vertakkingen is op tweeërlei wijze op te vatten. Aan de ene kant zijn takken verbonden met de stam en zodoende ook verbonden met elkaar, aan de andere kant zijn takken als deel van een boom zichtbaar en te begrenzen als een zelfstandige eenheid. De gedichten zijn van elkaar te onderscheiden door een lege pagina. Een gedicht bestaat uit één strofe of uit enkele strofen. Soepboer structureert haar gedichtenreeksen heel precies.

De eerste afdeling, die slechts uit één gedicht bestaat, is een herinnering aan de kindertijd, waarin de zintuigen zien (‘laat mij maar ontwaren’) en reuk (‘de geur van soep met wat prei en aardappels’) een rol spelen. Het eerste gedicht van de tweede afdeling is interessant, omdat het een indruk geeft van het begin van het schrijfproces. De eerste twee strofen luiden:

het volle raam in deze muur om mij heen
raakt besneeuwd met oude woorden met
een lijn waarop ze dansen en dan langzaam
het evenwicht laten vallen, mag het naakt

zijn, de sluier afwerpen en ik stel me bloot
tussen de papieren, ik gooi de pen overeind
– ik kan iets niet vertellen terwijl alsmaar
de witlijnen ademen met wat er ooit was –

De ik-figuur voelt zich opgesloten, maar kan door een raam naar buiten kijken tot dat besneeuwd raakt. Daardoor wordt langzaam het zicht op het verleden (‘oude woorden’) ontnomen en is de ik-figuur als dichter op zichzelf aangewezen. Zij werpt de sluier af en stelt zich bloot tussen het schrijfpapier en gooit ‘de pen overeind’, maar zolang de herinneringen blijven binnenkomen is zij niet tot ‘vertellen’ in staat. Verderop in het gedicht rest haar niets anders dan het besneeuwde raam kapot te slaan (‘en ik breek in stroom / uiteen, sla het raam door,’). Hierna ontwikkelt zich in het volgende gedicht van deze reeks een indrukwekkende – in de letterlijke betekenis van het woord – stroom aan beelden die langs raast, bijvoorbeeld wanneer de ik-figuur in de bus zit (‘mijn ogen bloeden weiland / een roofvogel die voluit staat’), naar het in het Fries roepen van haar ‘mem’, naar ‘nieuws dat opnieuw komt met overal oorlog’. De zinsnede ‘die schemering – of was dat van de goden – / breng ik door naast de nachtboom,…’ fascineert mij omdat deze in de Noorse mythologie verwijst naar het begrip godenschemering, dat staat voor de ondergang van de wereld. Marcellus Emants schreef in 1883 een episch gedicht onder dezelfde titel. Het woord ‘nachtboom’ is interessant in relatie tot de titel Vertakkingen en doet me denken aan het bekende verhaal A tree of Night (1949) van Truman Capote, over een treinreis van de jongeman Kay die Lazarus ontmoet en waarin herinneringen van de hoofdpersoon de basis van het verhaal zijn.

Herinneringen aan de kindertijd, het kinderspel, dromen, de trek naar de stad, de kust, het weer, de seizoenen, moederschap en oorlog zijn de verbeelde thema’s. Het reizen in tijd en ruimte is alom in de bundel aanwezig. Toch gaat het in de gedichten niet alleen om de aanwezige beelden die het reizen door ruimte en tijd opleveren. In het laatste gedicht van de vierde afdeling noemt de dichteres allerlei zaken die afwezig zijn in plaats van aanwezig, zoals ‘er is geen bocht’, ‘er is geen beweging’, ‘er is geen einde’, wat de poëzie nog raadselachtiger maakt. In de zesde afdeling vraagt de dichteres zich nog af: ‘waarom verzamelde ik mijn taal / zoekend naar onderstroming’. Ook het paradoxale segment ‘fragiel is wat niet kan breken / wat overblijft en de betekenis, inhengelt, opbergt / in ruitjespapier van een rekenschrift’, maar ik voel dat ik al lezende aan het verdwalen ben en de weg niet terugvind.

Vertakkingen is een bundel waarvoor je als lezer tijd moet vrijmaken. Elke volgende lezing levert nieuwe leeservaringen op, hoewel het lang duurt voordat je enigszins vertrouwd raakt met de gedichten van Soepboer en de wijze waarop zij haar eigen poëtische werkelijkheid creëert. Het is zeker geen bundel, waarin je zomaar eens een los gedicht kan lezen. Als lezer moet je je eigen persoonlijke leeslijn ontwikkelen. Vertakkingen is qua vorm en inhoud een wonderlijke bundel. Verwondering van mijn kant was er tijdens het lezen voortdurend, maar aan bewondering ben ik niet toegekomen, daarvoor is deze poëzie voor mij vooralsnog te raadselachtig en te hermetisch. Maar ik heb de bundel niet definitief opzij gelegd, ik blijf mijn weg zoeken in deze poëzie. Albertina Soepboer schrijft: ‘ik trek de woorden open, strak en onherbergzaam / ik puzzel ze uit elkaar’ en even verder: ‘ik knip de onderstroom in beelden uiteen’. Dat blijf ik ook proberen.
____

Albertina Soepboer (2019). Vertakkingen. Atlas Contact, 64 blz. € 19,99. ISBN 9789025446185

Geplaatst in Recensies.