‘Ik wil verstaanbare gedichten maken die voor mijn esthetische gevoel de perfectie benaderen’

Frits Criens (Haelen, 1949) is leraar Nederlands en een veelzijdig auteur. Hij schrijft in zowel ABN als in dialect. Van zijn hand verschenen gedichten, romans, columns en toneelteksten. Sinds 2007 is hij stadsdichter van Leudal. Voor zijn literaire werk in dialect werd hij meermalen bekroond.
Als ‘serieuze’ dichter debuteerde hij met Verloren kost in de Windroosreeks (Uitgeverij Holland, 2007). Zijn officiële light verse-debuut vond plaats in 2005 met Liefde uit blik (Uitgeverij Liverse). Vanaf 1990 behoorde hij, samen met literaire coryfeeën als drs. P, Patty Scholten en Kees Stip, tot de vaste medewerkers van het literaire tijdschrift De Tweede Ronde.
Criens schrijf helder en begrijpelijk en conformeert zich in de poëzie aan vaste versvormen. Zijn onderwerpen cirkelen rond de eeuwige themata. Hij is een van de meest prominente dichters van de webstek voor light verse, Het vrije vers, en bedenker van nieuwe versvormen als de luchtfiets, het dizijn, douzijn, treizijn. Hij ontwierp zelfs een nieuwe sonnetvorm, de ‘Op en neer’, een klinkdicht dat je op de gewone wijze kunt lezen en van beneden naar boven.
Inge Boulonois ging in gesprek met hem.

 

foto Frans Lintjens

 

In de biografie op je site is te lezen dat je al vroeg belangstelling kreeg voor literatuur. Hoe is die ontstaan?
Ik was een veellezer op de lagere school. Later op de HBS had ik een paar inspirerende docenten Nederlands die me de weg wezen naar literaire boeken en interessante auteurs. Wolkers, Cremer en Reve vooral, maar ook naar de Middelnederlandse verhalen, die ik allemaal, in de originele taal, las. Die verhalen zijn een mooie combinatie van epiek en lyriek.

Je schrijft in veel verschillende versvormen. Wat is je favoriete vorm? Voor zover ik kan overzien, zijn je verzen nooit langer dan veertien regels. Heb je iets tegen langere gedichten?
Ik heb twee lange verhaalgedichten gepubliceerd: Ederein, geïnspireerd op Elckerlijc, en Zwarte Pier. Verder schrijf ik voor feestelijke gelegenheden regelmatig rederijkersballades. Dus ik heb niks tegen lange versvormen. Een favoriete vorm heb ik niet echt, al schrijf ik veel sonnetten en ollekebollekes.

Op je website zie ik het woord ‘pleziervers’ staan, een door Drs. P. geïntroduceerde term voor het genre van light verse. Sommige dichters vermijden dit woord omdat het dilettantisme suggereert. Jij ziet dat anders?
Ik heb die associatie niet.

Jij beheerst de kunst van de vormvaste poëzie als geen ander en past de techniek zeer strikt toe. Zo ga je in eindrijm verder dan vereist is. Evenals Drs. P dat in zijn laatste jaren deed, leg jij je erop toe géén – ei op –ij of –au op –ou te laten rijmen, waardoor het aantal rijmgangen behoorlijk wordt gereduceerd en de taalacrobatiek tot een hoge moeilijkheidsgraad wordt opgevoerd. Vanwaar die drang om het jezelf moeilijk te maken?
Light verse is taalspel en stelt hoge eisen aan inhoud en vorm. De inhoud hoort op een begrijpelijke en soepele wijze te zijn uitgewerkt waarbij de taal een functioneel en tegelijk uitdagend instrument is. Een geslaagd light verse heeft voor mij een pakkende, liefst onverwachte clou. Geestig, ironisch of grappig. De vorm is in light verse geen doel op zich, maar een wezenlijk aspect dat de inhoud ondersteunt en in een geslaagd plezierdicht niet meer opvalt. Metrum en rijm zijn de dragers van een vaste, herkenbare en bevallige structuur. Woorden als ‘kei’ of ‘bij’ niet op elkaar laten rijmen is particuliere spielerei om mezelf extra uit te dagen.

Ook voor mijn poëzie hecht ik aan vaste vormen. Ik wil verstaanbare gedichten maken die voor mijn esthetische gevoel de perfectie benaderen. Dat lukt uiteraard zelden, wat de uitdaging alleen maar groter maakt. Dit streven vereist grote, technische en ambachtelijke vaardigheid. Mijn gedichten zouden moeten zijn als de schilderijen van Evert Thielen, John Waterhouse, of Salvador Dali: perfect van vorm en helder, herkenbaar, begrijpelijk en mysterieus tegelijk.

Uniek is dat je samen met je zoon, dichter Quirien van Haelen (Frits Criens jr.), een lichtvoetige bundel hebt geschreven. Vader & Zoon verscheen, voorzien van een voorwoord door Drs. P, in 2003 bij uitgeverij Liverse. Jullie gaan een poëtische, met een flinke portie humor gelardeerde strijd met elkaar aan. Dat moet een bijzonder project zijn geweest.
Ik publiceerde veel in de Tweede Ronde. Quirien debuteerde heel jong in dat tijdschrift. Met zijn light verse voor jongeren trok hij veel landelijke aandacht. Bij gezamenlijke optredens zagen we dat de vader-zoon-combinatie iets extra’s had voor het publiek. Quirien bedacht het samenwerkingsproject en het concept. We spraken af welke versvormen we zouden gebruiken en ook welke vader-zoon-thema’s aan de orde zouden komen. Telkens moest de een reageren op een vers van de ander. Hij zat boven op zijn kamer, ik beneden in mijn werkkamer. Als we een hoofdstuk af hadden, bespraken we het resultaat. Die gesprekken gingen vaak over vorm en inhoud en hoe die twee elkaar kunnen versterken. Het was voor mij een dierbare en leerzame exercitie. Andere vaders gaan met hun zoon kamperen op een boerencamping. Dat is mij gelukkig bespaard gebleven: wij hebben een light-versebundel gemaakt.

Je beoefent veel verschillende literaire genres. Wat drijft je? Heb je ooit songteksten geschreven?
Niet alleen verschillende genres, ook nog eens in twee talen, in mijn dialect en het ABN. Dat leidt wel tot versnippering van aandacht en energie. Dat is een nadeel, dat ik voor lief neem, want ik wil onderzoeken wat mijn mogelijkheden zijn als schrijver en waar mijn grenzen liggen. Van de andere kant is die veelzijdigheid ook verfrissend en inspirerend. En ja, ik schrijf ook liedteksten. Vooral cabaret en toneelstukken. Maar dat is dan vooral in het dialect.

Ik hoorde dat je samen met een schrijfster van kookboeken – diëtiste en Neerlandica Marleen Willebrands – een receptgedichtenboek met gedichten van jou en recepten van Marleen voorbereidt. Ben je verder nog met andere projecten bezig?
Marleen is een grote naam in de wereld van historische kookboeken. Het was een spontane uitdaging van mij aan haar: ‘Ik schrijf een gedicht waarin wat minimale suggesties voor een recept worden gegeven en jij gaat ermee aan de slag in de keuken.’ Dat heeft al veel smakelijke resultaten opgeleverd. Naast het schrijven van mijn wekelijkse column en het werken aan nieuwe gedichten, ben ik verder nog met een paar grote projecten bezig. Als stadsdichter van Leudal was ik initiatiefnemer voor het oprichten van de Stichting Leudal 75 jaar bevrijd. Een van onze activiteiten is het opvoeren van Vossen van de Spik. Dit groots opgezette buitenstuk, met spelers en medewerkers uit de hele regio, heb ik speciaal voor dit herdenkingsjaar geschreven als eerbetoon aan moder Vossen, die aan haar gezin leiding gaf in het verzet tegen de Duitsers waarbij haar acht kinderen waren betrokken. Het spel is gebaseerd op waargebeurde verhalen op boerderij de Spik van waaruit joden, ontsnapte Franse krijgsgevangen en gecrashte Engelse piloten verder naar het zuiden werden gebracht, op weg naar de vrijheid. Er zaten verder veel mensen ondergedoken om de Arbeidseinsatz te ontvluchten. De Duitsers kregen ondanks zware bedreigingen geen vat op de familie Vossen. Verder ligt mijn vierde roman Dansen op drijfzand bij de uitgever.

Ik sluit dit interview af met drie treizijnen (een door jou bedachte versvorm met als schema: aba bcb cdc edde) die we hier als smakelijke teaser mogen plaatsen.

 

Inzicht

Ik had op Texel om tot rust te komen
En ook om uit te vinden wie ik was
Mijn toevlucht tot een medium genomen

Het oudje was met mij wel in haar sas
En vroeg of ik met Pasen kwam dineren
Een lamspootschotel, bij een heerlijk glas

Met kruiden zou ze haar gerecht larderen
Die heilzaam waren voor mijn levenskracht
Als nieuwgeboren zou ik huiswaarts keren

En ja, ik was die avond als herrezen
Tot mij een stem van ver de boodschap bracht
Dat zij me als haar toetje had gedacht
En ik niet wist hoe snel ik weg moest wezen

 

Toewijding

Ik was een eenzaam hospitaalsoldaat
En dus vroeg Lien me met de kerst te eten
Ze is de liefste meid van onze straat

Fazant in saus die exquisiet mocht heten
Een feestboom van puree als fraai symbool
Waaraan haar toewijding was af te meten

Met partjes kweepeer door de rode kool
En donkere trappist naar Vlaamse zede
Bracht zij de culinaire hogeschool

Het toetje… daarvan deel ik hier niets mede
Omdat ze mij om die discretie bad
Maar heerlijker had ik het nooit gehad:
Een zalig Kerstmis op een wolk van vrede

 

Kunst

We noemden haar señora Vlammenwerper
De duivel zelf had haar de kunst geleerd
Geen kok serveerde zijn gerechten scherper

Haar bonenschotel was niet echt verkeerd
Veel sambal, kerrie, knoflook en cayenne
Met kip in spicy sauce gemarineerd

Zo’n eenpansmaaltijd kostte niks haast enne…
De porties waren vorstelijk royaal
Voor prijsbeleid bezat ze een antenne

Creëer je vraag, dat had ze goed begrepen
Die strategie beheerste zij totaal
Nog uren na zo’n gloeiend hellemaal
Was haar te dure drank niet aan te slepen

 

Geplaatst in Interviews.