De jongen in de man

(afbeelding Wikipedia)

In de afgelopen dagen las ik van Elsbeth Etty ‘In de man zit nog een jongen’, haar biografie van Willem Wilmink. Hoe verder ik las, hoe verbaasder ik werd. Over Wilminks tijd als docent aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Amsterdamse universiteit schrijft zij bijvoorbeeld: ‘Volgens Wilmink telde je daar pas mee als je thuis was in de theoretische taalkunde en je mengde in de academische debatten over de hondsmoeilijke geschriften van Noam Chomsky.  Wilmink had zich daar altijd verre van gehouden, maar voelde zich desondanks buitengesloten…’ De formulering ‘volgens Wilmink’ roept de suggestie op dat het anders zat. Dat je heel goed kon meetellen ook als je geen insider in de theoretische taalkunde was of je verre hield van de Chomsky-discussie. De formulering ‘maar toch’ suggereert dat wie zich niet in die discussie mengde, geen recht had om zich buitengesloten te voelen. Gezever over formuleringen? Nee, het citaat illustreert hoe deze biograaf tot mijn toenemende verbazing precies de opstelling reproduceert van verstandige en vakbekwame wetenschappers en volwassenen tegenover een kind gebleven liefhebber als Wilmink: soms weet hij het leuk te zeggen, maar echt serieus hoeven we deze man niet te nemen.

Ruim twintig jaar geleden publiceerde Elsbeth Etty ‘Liefde is heel het leven niet’, haar biografie over Henriëtte Roland Holst. Een magistraal boek waarin de dichteres uit de verf komt.  In haar verhaal over Willem Wilmink somt de biograaf veel op en laat zij veel mensen over hem aan het woord. Heel het leven van Wilmink lijkt in het verhaal gevangen. Toch mag Vic van de Reijt, de uitgever die haar heeft gevraagd de biografie te schrijven, wat mij betreft spijt hebben van zijn keuze. Zijn persoonlijke missie, ook vermeld in de biografie, is te werken aan de heiligverklaring van Willem Wilmink. Dit boek draagt hier niet aan bij. Zo erg is dat natuurlijk niet, er is al een overschot aan heiligen en helden, maar een kenmerk van een goede biografie is dat niet alleen alle feiten uit het leven van het hoofdpersonage erin staan, maar dat ook zijn personage erin gevangen is. Daarom is het bezwaarlijk dat Elsbeth Etty geen feeling voor haar hoofdpersonage heeft. Uit haar boek spreekt ergernis over zijn gedrag (wat is dat voor een man die meisjes in de knieholte schopt om ze onderuit te halen en dan intimiteiten verwacht?), over zijn voortdurende gevoel van miskenning (onbegrip toont Etty voor Wilminks wens om – na zijn vertrek uit de universitaire gemeenschap – toch te promoveren).  Hij was toch succesvol, waarom moest de man zich dan miskend voelen en zich sociaal zo onbekwaam tonen?  Etty lijkt het niet te kunnen begrijpen en het Wilmink zelfs kwalijk te nemen.

 

(afbeelding Pixabay)

 

‘Hoe weet je de weg op zee, kapitein? / hoe weet je waar je moet zijn? // Daar is nergens een huis, / daar is nergens een straat, / daar is nergens een bord waar een naam op staat / van de stad waar je morgen moet zijn. // Hoe weet je de weg, kapitein?’  Wilmink nam dit gedicht in 1984 op in de bundel ‘Deze vuist op deze vuist’, de verzameling van liedjes die Wilmink schreef voor het tv-kinderprogramma De film van Ome Willem. De tekst is te lezen als verwonderde vraag van een in praktische zaken buitengewoon onhandig mens, kind of volwassene. Iemand zoals Willem Wilmink, over wie nog eens moet worden geschreven door een biograaf die zich anders dan Elsbeth Etty kan voorstellen dat succes en gevoel van miskenning samengaan, dat onhandig gedrag uitsluiting oproept, die door de uitgeslotene toch als ongerechtvaardigd kan worden beleefd.  Een schrijver die uitsluiting en miskenning al dan niet uit eigen ervaring kent, maar die in elk geval de psychische last ervan tracht te begrijpen, wat ook maar het realiteitsgehalte – of de oorzaak van die uitsluiting en miskenning is. In ‘Het leven heeft mij het lachen verleerd’ nam Wilmink het gedicht Wetenschap en kunst op met daarin deze regels: ‘Iemand die wat kan / wordt er weinig beter van, / terwijl iemand die wat kent, / rijk kan worden op zijn krent.’ In Elsbeth Etty trof Willem Wilmink een biograaf van de laatste soort, een vrouw die veel weet, die heel wat kent. Nu het leven in kaart is gebracht, is er ruimte voor een biograaf die gevoel heeft voor de woede vanwaaruit bijvoorbeeld dit gedicht geschreven lijkt. Een die de blinde sympathie wil begrijpen, die Wilmink lijkt te koesteren voor degene die wat kan, net zo goed als zijn even blinde antipathie voor degene die heel wat kent.

(c) Jan Loogman

Geplaatst in column.