Willy Spillebeen – Microkosmos

De kleine eeuwigheid van de steen

door Peter J.R. Vermaat

Een enigszins verongelijkte dichter drukte me – in een reactie op mijn niet heel lovende bespreking van zijn bundel – op het hart om voorafgaand aan een bespreking toch vooral veel te googlen. Ik probeer dat juist zoveel mogelijk uit te stellen tot na het voltooien en inleveren bij de Meander-redactie van de bespreking. Tijdens het lees- en bespreekproces heb ik al genoeg moeite om mijn eigen pre-occupaties en voorkeuren tijdelijk opzij te schuiven. Het vooraf tot mij nemen van opinies van derden maakt het zo blanco mogelijk tegemoet treden van de te bespreken poëzie alleen maar lastiger.

Voor de titel van de meest recente bundel van Willy Spillebeen heb ik geen zoekmachine nodig om de term microkosmos te kunnen verbinden met het symbolistische gedachtengoed, zoals je dat onder meer fraai geïllustreerd kunt zien in de poëzie van Leopold. Al lang voor de tijd dat de vorm van de varen door middel van een wiskundige formule en een fractal kon worden geëmuleerd, gebruikten de symbolisten de kleine werkelijkheid (en de plek van het ik daarin) om door middel van kosmische zelfvergroting te geraken in de – vaak metafysiche – macrokosmos. De algehele ordening der grootste dingen werd verondersteld weerspiegeld te zijn in de ordening van die der kleinste. In het openingsgedicht ‘Hersenen (sectie)’ wordt dit al meteen duidelijk: ‘[….] dames en heren, het ware wonder / is dat deze glibberige sponzige steen / rouw en vergeten de essentie van / mens en kosmos omvat en bevat.’

Door de hele bundel heen, die bestaat uit vijf reeksen, hanteert Spillebeen een vorm van half-parlando, die soms heel erg op zijn plaats lijkt te vallen:

De harteloosheid van de dingen

Na de stortbui glijdt
een blikkerende druppel kwik
schiksgewijs langs de snelweg
van de middelste bladnerf.

Hij zuigt de pas gewassen
wereld in zich op
weerkaatst
de helwitte schicht van het licht
de vrouwelijke felgroene oogopslag
van het hartvormige blad
en een azuren hemelflard.

Als hij valt buigt de tip van het blad
wipt dan omhoog nadat
het zijn blikkerende last
heeft afgeworpen.

Het hardvochtige blad
bekommert zich niet om het lot
van de druppel kwik
die voor hij valt
nog even blikkert
dan in het stof rolt
en even dof wordt
als de droog gebleven grond
onder de populier.

[p. 55]

Naast een beschrijving (met een aantal stijlfiguren) van een waterdruppel die van een blad af rolt kun je dit gedicht ook lezen als een poëticaal gedicht: na een regenbui (de inspiratie’), neemt de druppel (de taal) de wereld, het licht (de bron van het leven), het vrouwelijke groen van het blad (de liefde met groen als kleur van de hoop) en glimp van de hemel (het hogere) in zich op, maar kan zich niet blijvend hechten aan het blad (met meteen een dubbele betekenis) en valt op de ‘droog gebleven grond’ (de niet-dichterlijke werkelijkheid die op geen enkele manier is beïnvloed door de inspiratie).
Tegelijkertijd is de uiteindelijke mislukking al besloten in het materiaal van de druppel: kwik is immers een metaal dat zich niet hecht aan een andere stof (hoge cohesie en lage adhesie) en waarin stoffen slecht kunnen oplossen. De druppel kwik, als microkosmos een afspiegeling van de macrokosmos, blijft ondanks dat ondoorzichtig, ondoordringbaar en valt nutteloos op de droge grond.
Kwik heeft daarnaast een alchemistische connotatie: alchemisten dachten dat kwik veranderde in goud als het van de vloeibare fase in de vaste fase overging, omdat kwik een soort ‘basismetaal’ zou zijn. In die context betekent het vallen op droge grond eveneens de mislukking.

Op verschillende plaatsen in de bundel vergelijkt Spillebeen de dichter met een alchemist. Je zou je kunnen voorstellen dat hij zich dan ook bedient van het meer ‘alchemische’ karakter van de taal, waarbij klank en ritme werkelijkheden suggereren, oproepen, die denotatief niet gegeven worden wanneer je dezelfde taal puur semantisch zou lezen. Dat gebeurt echter (vrijwel) niet. Het half-parlando levert constateringen en gedachten op, soms mijmeringen en alleen in de beeldtaal wordt er iets meer opgeroepen dan de woordbetekenis. De dichter pleegt sectie en soms zelfs vivisectie op de taal, doet experimenten met oplosmiddelen en gifstoffen om het wezenlijke te ontdekken, te bevrijden.

Het wezenlijke van wat? De kern, de bron van het leven of juist het essentiële van de taal? Misschien – terugkijkend – de waarde van het eigen bestaan? Wordt de rekening opgemaakt?
Eigenlijk van alles een beetje en mogelijk leidt dat ertoe dat de taal mij op veel plaatsen niet ‘grijpt’. Ik volg de lijnen van overdenking, kan meestal knikkend instemmen, maar daarmee is de werking ten einde.
Als er dan ergens een raadsel geschapen wordt, geeft de dichter meestal toe aan de verleiding om tevens de oplossing aan te reiken.

Neem onderstaand gedicht, waarvan de twee eerste strofen zouden volstaan:

Bleue de Belgique

Vrouwenkontje in blauwe jeans
fluwelig als kasjmier: mijn tong
streelt en omspeelt je ronde vormen
likt ze en glijdt je gleufje binnen

dat mijn tanden opensplijten.
Ik proef vruchtvlees voel het sap
in mijn mond en langs mijn smaak-
papillen glijden, slik het door

[…]

Maar dan gaat het nog drie (naar mijn mening overbodige) strofen verder:

[…]

en eet je smekkend en smakkend
helemaal op. Rol dan de amandel
van je steen om en om in mijn mond
en rond mijn tong tot hij droog

en rasperig wordt. Zijn fijne nasmaak
voert mij in allerijl naar moeder
die reikhalzend een Bleue de Belgique
plukt en opwrijft aan haar schort

tot ze glanzend als kasjmier wordt
waarna zij ze aan de kleine jongen
geeft in een tijd van altijd zomer
toen zoveel nog niet was begonnen.

[p. 67]

Een in potentie smakelijk erotisch gedicht wordt nu opeens een niet heel bijzondere herinnering aan moeder en aan de tijd dat het allemaal nog niet zo ingewikkeld was.

Aan het eind van dit jaar wordt Spillebeen 87 jaar en over de hele bundel heen hangt de sfeer van het terugdenken, het enigszins droevig bezingen van wat was en niet meer terugkomt. Zo beschouwd is zijn huidige leven mogelijk een microkosmos vergeleken met wat het eens was, of wat hij in zijn jeugd meende dat het zou moeten worden. Mijn favoriete gedicht laat echter een strijdbare dichter zien, die mij met ‘de kleine eeuwigheid van steen’ een goudklompje in de hand legt:

Steen

Geen crematie! Ik wil nog geen
‘pulvis cinis et nihil’ zijn. Ik wil
de kleine eeuwigheid van steen.
Ik wil door de wind glad geslepen
of rond gerold door het water
langzaamaan vergaan.

Begraaf me en laat de aarde
mijn beenderen en schedel polijsten.
Laat later een archeoloog
ze opgraven en catalogiseren.
Laat het liefst nog een kind
ze als blindenstok en voetbal gebruiken.

[p. 74]

____

Willy Spillebeen (2019). Microkosmos. Uitgeverij P, 80 blz. € 17,95. ISBN 9789492339768

Geplaatst in Recensies.