Bert Van Raemdonck – Hier raken we mij kwijt

De kat of het bolletje wol

door Ivan Sacharov



Iedere poëzierecensie is een poging tot een definitie van wat goede poëzie is, denk ik. En in iedere recensie is het ook een beetje een kat- en muisspel tussen de dichter en de recensent. Een recensent wil de essentie van het geschrevene ‘pakken’, zoals een kat een muis. Maar de muis is vaak de kat te slim af, en de kat komt meestal niet verder dan de staart. Waarmee ik maar wil benadrukken dat de kern van de poëzie in kwestie de recensent kan ontgaan. Wat natuurlijk logisch is, want de dichter heeft een ruime voorsprong: de tijd die hij aan het schrijven van zijn poëzie besteedt, is over het algemeen veel langer dan een recensent er aandacht aan kan geven.

Een muis verandert wanneer een kat hem grijpt in een bolletje wol. Zijn staart in een los eindje: de plaats waar de (rode) draad kan worden opgepakt die een lezer moet volgen om het gedicht te kunnen begrijpen. Merkwaardig genoeg hoeft dat losse eindje niet per se de eerste zin te zijn van de tekst (de staart is veeleer de eerste zin waar men wat mee kan). Nu, laat ik dit eens uitproberen op een echt gedicht:

boswijn

Altijd is er ergens een expert
die waarschuwt voor wat jij nu juist zo leuk vindt,
een studie die bewijst dat je
van wat je op dit eigenste moment net aan het doen bent
stukgaat, doodgaat,
of andere mensen aanzet met een gevreesde nare ziekte

Wijsheid is dus
dat je weet dat je in wat de anderen het leven noemen
niet denken moet dat we hier zijn om zomaar wat te spelen
dat je beseft dat jij en ik niets kunnen doen om te vermijden
dat wij onszelf (maar ook elkaar) nog eerder vroeg dan laat
heel heftig gaan vervelen

Wij kiezen koude tralies boven leven zonder ketting
voor ons geen bos met blote wijven of een kuip vol rode wijn

Welvaart is een opgestoken vinger,
eenzaam is iets anders dan alleen

Een gedicht uit Hier raken we mij kwijt, de debuutbundel van Bert Van Raemdonck, die ik hier wil bespreken. Een dichter die volgens de achterflap ‘de lezer confronteert met de toenemende stupiditeit van onze kleinburgerlijke maatschappij’. Mmmm, best mogelijk. Maar toch eerst even zelf een mening vormen. Dat ‘bos met blote wijven’, bijvoorbeeld, doet me een beetje glimlachen. Wie ooit de film Valhalla Rising (2009) heeft gezien weet wat ik bedoel. Daarin lopen mannen rond met bijlen die de darmen uit elkaars lijf rukken, terwijl in een open veld de schaars geklede vrouwen angstig tegen elkaar aan staan te bibberen. Er wordt weinig gesproken in de film (wat niet zo verwonderlijk is). Polderen is duidelijk iets voor latere generaties. Niet precies wat de dichter bedoelt, met zijn ‘kuip vol rode wijn’, maar toch. De kettingloze vrijheid die in het gedicht beleden wordt heeft misschien ook zo zijn nadelen.

De dichter hint in zijn tekst op het andere uiterste: het overgereguleerd zijn van een maatschappij waarin het steeds meer dringen is. Dat welvaart dan een opgestoken vinger wordt is niet zo gek. Of het een wijs- of middelvinger is, blijft daarbij onduidelijk, maar goed: men kan (mag) zich niet zo uitleven als men zou willen.

Kan dat tot eenzaamheid leiden? Misschien. Hoewel ik eraan twijfel of ‘zomaar wat te spelen’ ook niet tot eenzaamheid kan leiden. De ‘jij’ en de ‘ik’, waarvan sprake is in het gedicht, lijken een relatie te hebben. Wanneer de een zich te buiten gaat in ‘een bos vol blote wijven’, en de ander zich te goed doet aan ‘een kuip vol rode wijn’, wordt de relatie dan wel beter? Hier ontspoort het gedicht een beetje (en raken we mij kwijt), want hoe krijg ik dat als lezer kloppend? Het moet bij de ‘jij’ en de ‘ik’ al haast om twee mannen gaan (geen homo’s, want dan is je uitleven in een bos met blote wijven geen optie) om met al die blote vrouwen en rode wijn de toestand inderdaad tot minder eenzaamheid te laten leiden. Toegegeven, als regels als tralies worden ervaren, is het lastiger om gevoelens te uiten en kan dat óók nadelige gevolgen hebben voor een relatie. Maar verwarrend is het wel. En dat brengt me terug op de kat en het bolletje wol. Het bolletje wol, dat dit gedicht is, laat zich wel ontwarren, maar levert dan (in mijn optiek) teveel losse stukjes draad op. Draadjes die de kat gek maken: want we hadden het toch over één muis? Eén muis kan maar één staart hebben! Anders gezegd: een paradox is goed, maar een echte tegenstrijdigheid niet. Het bolletje wol kan heel veel knopen hebben, maar moet wel uit één draad bestaan.

Wat dat betreft is het volgende gedicht, dat wat meer voorin de bundel staat, beter:

nachtwacht

Er is een kind gestikt in een bord cornflakes,
de doos verwittigt wel voor allerhande allergenen
maar dat je ook in melk verdrinken kan, wordt wijselijk verzwegen

Een man van 64 stoot zich aan een vensterbank
en breekt een klein maar nuttig beentje van zijn rechterhand,
de straten zijn een slagveld als het regent

Er kraakt iets, schuift iets,
de uitersten hebben controle
over wat een lange tijd het midden is geweest

We gaan vanavond rond in onze wijk om alles goed te controleren,
elke wagen in een andere kleur dan grijs wordt genoteerd

Wij hebben veel geduld maar wat wij niet kunnen verdragen
is al het toeval dat ons telkens overkomt

Ons geluk is een soort glijbaan
zonder zweem van slipgevaar

De verschillende strofen (scènes) lijken elk een eigen onderwerp te behandelen, maar worden hier als losse kraaltjes aan één snoer geregen. Wat is dat snoer? De rode draad waarover ik het had, het onderwerp van dit gedicht. Pak ik de muis bij de staart als ik zeg dat het opnieuw met het overgereguleerd zijn van de maatschappij te maken heeft? Dat is blijkbaar een dingetje voor de dichter. En het leuke is dat het hem hier goed afgaat om dat dingetje voor het voetlicht te brengen! Hij komt tenminste met een prachtige, paradoxale conclusie: ‘ons geluk is een soort glijbaan zonder zweem van slipgevaar’. Ons beschaafde streven in een paar woorden samengevat! Alles moet als vanzelf gaan, maar we mogen er geen gevaar bij lopen. Dat we om te kunnen glijden móeten kunnen slippen vergeten we daarbij gemakshalve even. In de woorden van die gebruinde surfer uit de relatiebureau-reclame: ‘ik houd van avontuur, maar niet bij het zoeken van de ware’. Ja, ja: wat voor avontuur zoek je dan nog? Een reis waarvan je onaangedaan terugkeert? Wat is er mis met: wie niet waagt, wie niet wint…

Veruit het beste gedicht van de bundel vind ik:

kroegplaat

Een man heeft net een nieuwe nummerplaat gekregen,
belt nu naar huis om alles drie keer te dicteren
Een blonde tiener praat al vijf minuten met zijn buurvrouw
zonder één keer naar de wijnvlek op haar linkerwang te kijken
In de hoek zit een gezin waarvan er bij de moeder
drie of misschien vier tanden ontbreken

Een zwarte vrouw heeft zich te zwaar gekleed,
herinnert zich ineens dat ze vanmorgen niet echt heeft ontbeten
Twee vrienden delen een karaf rosé
hoewel de ene met zichzelf had afgesproken zich wat vaker te bedwingen
En vlak naast mij zit een onnoemelijk mooi meisje
dat mij zelfs op een eenzaam eiland niet zou willen
terwijl ze toch verwacht dat ik haar vraag wat ze met mij wil drinken

Vanavond viel er schaduw op een deel van dit terras,
we weten dat het almaar méér wordt
en dat het zonlicht vroeger geler
en de wind iets meer vergeeflijk was

Wij tellen hier de dagen samen,
de helft van wat ooit vol was, smaakt steeds vaker
naar de leegte van ons glas

Een bijna Bruegeliaans tafereel, dat ogenschijnlijk is opgebouwd uit allerlei losstaande onderdelen. Een mensenmassa die wordt verbonden door wat de titel zegt: een kroegplaat. Mooi natuurlijk, om zo alle aparte eindjes aan elkaar te knopen! Maar dat zou op zichzelf geen stevige draad zijn. Er is meer voor nodig om een goed gedicht te maken (en een stevig bolletje wol). En dat blijkt: er is nog iets anders wat al deze mensen gemeen hebben. Iets waarbij alles waarover we ons ‘maatschappelijk’ druk maken verbleekt. Iets onontkoombaars dat ons poëzie ingeeft en zelfs de negen levens van een kat niet genoeg doet zijn…

____

Bert Van Raemdonck (2019). Hier raken we mij kwijt. Uitgeverij Polis, 72 blz. € 20,- ISBN 9789463104500

Geplaatst in Recensies.