Jana Arns en Roel Richelieu Van Londersele (sam.) – De grote inkijk

Horen, zien en schrijven

door Christina Vanderhaeghe

183 gedichten van 60 + 1 Vlaamse dichters aan wie gevraagd werd hun eigen lievelingsgedichten aan te stippen. Deze dichters en dichteressen zijn vrij goed gekend in Vlaanderen en daarbuiten. Althans bij liefhebbers van poëzie. Deze gedichten zijn gewoon goed, soms buitengewoon. Ze hangen in woonkamers, verschijnen in poëzietijdschriften, winnen prijzen, worden op school wel eens onderwezen. Er gaat geen dag voorbij of we komen wel ergens een gedicht van hen tegen.

Het Nederlands staat op plaats 40 in de rangorde van de meest gesproken talen op deze planeet. Internationaal doorbreken is niet evident. En toch slagen verschillende dichters erin om hun werk te (laten) vertalen: een nieuwe lezing van een ‘oud’ gedicht klinkt verrassend in het Frans, in het Engels, in het Duits, etc. Tot een Nobelprijs voor Literatuur leidt het niet, voorlopig niet. Uit Lied van een dag van Elvis Peeters (1957):

Ik praat met mensen
voor mijn dagelijks brood,
.        ik probeer ze
in beweging te krijgen.
(…)
Onder de lakens speelt zich
alleen de slaap af, niemand vertelt me hoe
het anders kan dan
’s morgens nog een keer wakker worden.

Niemand vertelt me wat leven is. Lezen en gelezen worden, een vast ritueel voor een dichter, even vanzelfsprekend als wakker worden. Bewegen en bewogen worden. Geen brood zonder te werken. Niet lang poëet als hij niet wat eet. Een gedicht geeft vele lagen. Ik word wakker, als een trilling in dit gedicht.

Zijn er nu vooraanstaande Vlaamse dichters? Hun Belgisch paspoort is duidelijk. Hun taal is het Nederlands. Voor de rest is het aarzelen: wat is dat Vlaamse in deze bundel De grote inkijk? Wie is vooraanstaand? Op 26 oktober 2019 was het Christine D’haen (1923- 2009) die in Gent herinnerd werd. De 60 + 1 dichters leven, hopelijk nog lang en een beetje gelukkig. Allen geboren tussen 1935 en 1993. Dichters laten sporen na, generatie nà generatie. Nieuwe sporen, nieuwe vormen van dichten, ongerijmd en naakter in hun taal dan vroeger. Spannende bundel die meer dan een halve eeuw poëzie uit Vlaanderen bijeen houdt. Als een regenboog en daarin ook de kleur van afwezige dichters.
Het gaat vaak over huizen in De grote inkijk. Huizen met daken, met opgestapelde herinneringen. Bomen doen het verder uitstekend. Een man, een vrouw, een kind en de ongelijkbenige driehoek tussen huisgenoten. Het leven in een gedicht gekaapt, voor even, want er is zoveel waar ook een gedicht geen vat op krijgt. Daar dienen witregels voor en de ruimte die voor een lezer wordt vrijgemaakt. Als een gastvrouw heb ik deze gedichten onthaald, omdat ik niet anders kan.
Niet dat je veel te weten komt over een dichter, daarvoor dient poëzie niet. Het schrijven zelf, daarin creëert een dichter een kleine intieme wereld die gelezen mag worden, zonder privacy te schenden. Schrijven is een vorm van overgave aan een Muze, nooit veraf. W e e r b a r s t i g een gebeuren herschikken, een herinnering naar een tegenwoordige tijd brengen. Er zitten barsten in het huis van de dichter, er is wel vaker een raam kapot, een achterdeur nooit op slot. Er is dat geboren worden, en dat ondraaglijk einde van een bestaan. Poëzie, een onmisbare halte?
Poëzie is een uitstap /      die de aankomst uitstelt. / Zij kiest de route die nog niet is aangelegd.’ Aldus Stefaan Van den Bremt (1942).

Graag zou ik aan deze dichters iets vragen: is er een Vlaamse Muze aanwezig in uw schrijfplek?

De Wereldoorlogen laten nog weinig sporen na in deze Inkijk, het ‘slagveld’ is binnenskamers. Er is tijd om poëzie te schrijven, over ‘de stille triomf der dingen’ als het over dood gaat. Nog weinig geloof in een hiernamaals. Al zeker de jongste generatie dichters woont niet onder de kerktoren, maar in een huis waar dagelijkse taferelen en nieuwsberichten naar de pen doen grijpen.
Hier zijn drie generaties dichters aan het woord. ‘Je zit op de rand van de wereld / en je weet: er is niets. Ik heb tijd.’ Lies Van Gasse (1983).  ‘Je zit op de rand van de wereld / en bijna iedereen is ziek. Je kijkt naar de huizen vanop de rand, / je daken, ziek van de wereld.’ Dit in tegenstelling tot de oudere dichter, Roland Jooris (1936), in het gedicht ‘Density’ voor wie het hunkeren zwaarder weegt: ‘ginds is van tijd / de rand die in de ijlte / met verzeilen / dreigt’. Geen punt achter deze laatste versregel, alsof het best nog wat mag duren. Angst gaat liggen op papier in deze Grote inkijk.
De jongste dichter, Moya De Feyter (1993), laat bijna alle leestekens vallen in het gedicht ‘Mijn ogen zijn nog nooit zo transparant geweest’. Ik heb die ene komma nodig, vooraleer ik verder lees. Ik huiver. Ik zie een hand voor een mond. Drie generaties vrouwen.

in gedachten vertel ik de moeder van mijn moeder
hoe ik vannacht in een donker bos kronkelend
haar huid zocht en alle wortels
met dure wijn heb ingesmeerd
of zij ooit tegen een boom werd genomen
of de twijgen schuurden, ze dagen daarna nog
blaadjes uit zichzelf kon plukken

In ‘De schaduw van het denken’ van Maarten Inghels drijven de eenzaamheid en de angst boven omdat ze beiden ‘Vallen op mijn tanden. Het eenzame geluid van brekend bloed’. Ze kraken beide onder ‘Het antwoord [dat] klinkt als het draaiende geknars van planeten’, waarvan we zeker zijn dat ze ons niet verlaten….

Er is mijn angst om te worden ontdekt.
De angst voor donkere rotsspleten waarin mijn lichaam een puzzel is. Mijn
hand in een onbekende holte steken. De echo zegt niets terug.
(…)
Ik maak me zorgen dat ik niet genoeg herinneringen vernietig. Schrik dat ik
andermans ziektes inslik.
Ik wil weten waarom ik soms als een afgebroken tak op bed lig en secon-
denlang tussen twee werelden naar adem snak.
Zacht spreek ik over de vrees om iemand te verliezen. Misschien weet alleen
de maan wat het is om gezien te worden door het licht van een ander.
Het antwoord klinkt als het draaiende geknars van planeten.

Iedere zin kan als aanvang voor een nieuw breekbaar gedicht worden ingezet. Dit gedicht klinkt als het breken van een val, taal als een vangnet dat resoneert.

Eén voor één staan deze gedichten rechtop. Ze functioneren niet als schuilkelder. Er is ongemak, ingehouden woede, een ontmoeting die een verschil maakt, met alle andere(n). Er is plaats voor een voorzichtig beminnen wat je lief is, wie je graag mag. Er mag gelachen worden, maar niet al te luid. Er mag heel veel van alles, zonder gulzig te worden. ‘Degustatieles één’: ‘ De zinnen ten volle naar buiten keren’, Hilde Keteleer(1955). Even zie ik het ‘Zotte Geweld’ van Rik Wauters in het Middelheimpark staan. Even ben ik Herman de Coninck dankbaar. De man die zijn volk poëzie leerde lezen, en vele andere dichters inspireerde.
Een aanvang voor het gedicht ‘Halverwege’ van Max Temmerman(1975): ‘Het regende oude wijven toen ik vannacht strandde’. Ik kan er vandaag om lachen, morgen misschien niet meer.

Voeren deze gedichten een gedoogbeleid, zonder al te veel lust, zonder al te grote afkeer van zichzelf, van de ander? Er is een zin die nazindert uit een gedicht zonder titel van Els Moors (1976).   ‘ik gedoog dat ik werd geschapen’. En verder raakt dit gedicht een actueel thema aan: ‘mijn eenzame spraak / is kuis als het water van / een oceaan maar dan van / voor hij door de wereld / als stortplaats werd gebruikt’.
En wat is het verband tussen al deze dingen?

Verder weinig over de vluchtelingen, weinig over het polariseren van godsdienstige en politieke machtsgroepen in de samenleving, in de keuze van hun drie zelf gekozen gedichten. Trekken dichters, mannen en vrouwen, zich terug in hun pen om uit te waaien, in zichzelf gekeerd met herinneringen van thuis, vroeger en nu? Blijft de ander, de JIJ een vreemdeling, net zoals een dichter die zichzelf niet helemaal kent, en daar nooit in zal slagen? En wat met dat genot van het schrijven? De frustratie van het NIET gezegd krijgen?
Miriam Van hee (1952): ‘Je dacht aan je vader, je dacht aan je moeder’ als een refrein ‘aan boord’.
Deze boot die ons varend houdt, welvarend misschien, wil het liefst stroomopwaarts varen. Helaas, de stroming van de rivier kan je niet veranderen, hoogstens wat meanderen.
Poëzie, het dichten van een onmogelijkheid, tussen jij en de ander? Er is het fluisteren van de herfst, het aftasten van een grens, het krabben aan de binnenwand van een bestaan.
Er is Inkijk, zoals de titel van deze bundel laat vermoeden. Het is uitkijken naar deze poëzie, als naar een geslaagde oogst, na de regen.
Er wordt weinig gereisd, van gedicht naar gedicht, van schrijver naar lezer, naar een verre Muze. Onderhuidse passie in de witregels, het zwijgen een zucht en moeders die het nog altijd doen. Of het in orde komt, met alles en nog wat, daar staat deze poëzie niet garant voor.

Deze gedichten zijn vrij ernstig in hun kleine bedrijvigheid. Wat blijft er over van het surrealisme van Magritte? Het masker van Ensor? Als een klauw houden deze gedichten me in een greep van (h)erkenning. Humor, eerder monkelend dan uitbundig lachen. Muziek en ritme: geen gedichten om op te dansen. Maar het grote zwijgen komt niet terug. Deze gedichten in ‘Inkijk’ maken een brug naar de lezer. Er zijn diverse sleutels om toegang te krijgen. ‘Van het eigengereide naar het merkbare / gaat de beschouwing /  Woorden, gekleurd of niet, worden sleutels’. Ik lees het in Watou, op het marktplein, opnieuw Claus, terecht.

De schoonheid van elk gedicht is niet te temmen: fier en onbeholpen staan ze in het boek der Inkijk, ook al is er weinig uitkijk naar een zoveel beter leven. Het leven zoals het is, in Vlaanderen, in België, in Europa, in de wereld: een dichter kan zich een dak bouwen, waarin hij zichzelf tijdelijk asiel verleent.
Ik hou van die voorzichtige toenadering, in deze poëzie, dat glas waaruit samen wordt gedronken, en lipstick achterlaat. Ik hou van deze gedichten omdat ze alle kanten uitgaan, op stap langs Vlaamse wegen, om Europese lucht en een Wereldgebeuren binnen te halen, in verzen. We zijn een gedicht, een verhaal, een boek misschien wel een bibliotheek, ieder van ons. Wie schrijft laat sporen na.

Als een mand appelen heb ik deze gedichten één voor één geproefd. Ik kan ermee overwinteren. Dank u allen, schrijvers.

appel

al dagen ligt een appel op het aanrecht,
Ik kan hem niet wegnemen.

er staat een mand in de kast, daar past hij bij,
maar ik laat hem liever op het graniet
en beeld me in dat hij onderaan al krimpt.

ik wandel dagelijks tien keer in de keuken
aan de appel voorbij en ik zou meer
van de wereld moeten weten,
meedoen, vloeken, naar buiten.

maar zolang ik blijf, laat ik hem zijn,
nu nog is hij rond als de aarde,
ik, zijn satelliet.

als hij rot, ruk ik me los.
als ik me kan losrukken, gooi ik hem weg.

(Sylvie Marie, 1984)

____

Jana Arns en Roel Richelieu Van Londersele (sam.) (2019). De grote inkijk. 60+1 vooraanstaande Vlaamse dichters kozen hun favoriete gedichten uit eigen werk. Uitgeverij De Zeef, 205 blz. € 19,50. ISBN 9789492339898.

Geplaatst in Recensies.