“Een gedicht moet veroverd worden.”

Frans A. Brocatus (1957) is dichter/schrijver. Hij publiceerde poëzie in diverse tijdschriften, werkte mee aan meerdere literaire projecten waaronder ‘Poosplaatsen’ en schreef en exposeerde vaak gedichten bij beeldend werk. Tot op heden verschenen er zeven gedichtenbundels en een roman. Hij heeft een novelle in portefeuille en werkt aan een nieuwe roman. Bij WEL, Bergen op Zoom, verschijnt in januari 2020 een nieuwe gedichtenbundel Sanguines.
Alja Spaan sprak met hem.

 

foto Joop Plukkel

 

In voorbereiding is een bundel met de titel Sanguines, te verschijnen bij uitgeverij Wel die ook je eerdere bundels drukte. De bundel heeft een motto van Paul Eluard dat luidt (in de vertaling van Theo Festen)
‘ik zal benoemen je mond en als laatste je handen
je mond gebroken echo loden kleingeld je handen
ik zal de roestige sleutels breken die zij bevelen’.
Kun je iets vertellen over het schrijfproces en de totstandkoming van deze bundel?
De eerste versie van deze bundel dateert van vijf jaar geleden. Na de publicatie van mijn meer experimentele dichtbundel Navigamare en het verschijnen van mijn eerste roman voelde ik de behoefte om wat ‘breder’ te schrijven. Mijn gedichten zijn vaak kort: acht regels, soms nog minder. Ik wilde een reeks gedichten schrijven rond liefde, passie en verval. In eerste instantie schreef ik, in doorlopende tekst, een aantal gedachten, fragmenten. Vervolgens ben ik met de ik – en de hij-vorm gaan spelen, gevolgd door een sonnetachtige opbouw. In een later stadium kwam er na elk gedicht een soort van reflectie. De cyclus haar lichaam had ik al langer liggen. Daarbij schreef ik een mannelijk tegenwicht. Aangevuld met de cycli Engelen en Landschappen vielen alle stukjes op hun plaats. De titel Sanguines verwijst naar het rode krijt waarmee portrettekeningen gemaakt worden. In het woord zit ook het woord ‘sang’ (bloed) en ‘ange’ (engel). Dat is niet toevallig zo. Ik heb voor de bundel een motto van de dichter Eluard gekozen. Hij is een dichter waarmee ik me zeer verwant voel.

De bundel gaat over liefde, passie, verval, dood. De gedichten zijn mysterieus, soms onbevredigend en vaak ook veel te kort in die zin dat je als lezer nog meer wilt.
Heeft religie nog steeds dezelfde invloed op je als in je vroeger werk? Het onderwerp is niet nieuw maar is het veranderd door het ouder worden?
Ik schrijf graag suggestief, probeer met een paar beelden een totale sfeer op te roepen. Ik acht de lezer hoog, ik ben diegene die een voorzet geeft, de lezer speelt met de bal. Ik hou er niet van om alles voor te kauwen. Een gedicht moet veroverd worden. Je moet gedwongen worden om te herlezen. Stil te staan. Daarnaast probeer ik ook een soort van dwingende spiegel voor te houden. Religie heeft nog steeds een invloed op mijn werk. Het is in die zin anders geworden dat ik minder met de rituelen bezig ben maar meer, monniksgewijs, met de/mijn innerlijke wereld. De dood van mijn ouders, een zus, een broer, vrienden, vriendinnen,… speelt daar zeer zeker een rol bij.

Ook verschijnt dit jaar de publicatie Gevonden voorwerpen, een bundeling van 50 verhalen waarin je de lezer meeneemt in jouw wereld, die van na de diagnose van autisme. Je bent ervaringsdeskundige op dit gebied. Wat kan een gedicht betekenen bij deze diagnose?
Juist die diagnose heeft me, wat schrijven betreft, het inzicht gegeven dat ik mijn beelddenken kan omzetten in een beeldtaal. Iets creatief doen met die voortdurend in het oog springende details en beelden. Schrijven is combinaties, associaties zoeken tussen die beelden, schrijven is ook mijn ‘zijn’. Na de diagnose van ASS kwam ik ook tot het volle besef dat schrijven mijn onderkomen en ook mijn redding is. Zonder dat zou het leven voor mij zinlozer zijn. Schrijven is praten met mezelf en in een later stadium zijn er van die ‘gesprekken’ die ik wil delen.

Dan schrijf je ook nog recensies op de blog De Boekhouding van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Toets je daarmee je eigen poëzie? Hoe belangrijk is een recensie voor jezelf?
Het schrijven van een recensie werkt voor mij ook als een spiegel. Door over andere werken te schrijven stel ik ook vragen bij mijn eigen werk en kijk ik waar en hoe ik bezig ben. Bij het lezen van werk van iemand anders kijk ik ook naar het technische aspect. Hoe is het opgebouwd, welke middelen zijn gebruikt. Ik heb een voorliefde voor strakke composities.

De bundel Navigamare werd in 2018 in een Engelse vertaling gepubliceerd bij DemerPress. Hierin (volgens de uitgever) een ‘kunstige taalconstructie waarin de dichter een zoektocht onderneemt naar de grenzen van taal (….)’. Zijn er grenzen?
Grenzen bestaan in ons hoofd. Ik hou ervan te benoemen, ik heb daarvoor mijn eigen beeldtaal, in Navigamare zoek ik die grenzen op door te jongleren met de vorm. Tussen gedicht 1 en gedicht 26 ontstaat, ook in de bladspiegel, een soort van ‘verdichting’. Ik neem de lezer mee in een landschap, eigenlijk een zee, die telkens, zoals met een golfslag op een minieme wijze verandert. Het geheel laat zich ook lezen als een mantra. Ik zou het bv. fijn vinden als deze gedichten door een mezzo-sopraan gezongen zouden worden al dan niet begeleid door een viool of cello. Een spannend idee en zeker een meerwaarde, denk ik.

Je bent zelf een grens overgegaan hoewel het ‘beneden de rivieren bleef’. Heeft dat invloed gehad op je schrijven en/of denken?
Ik denk het wel. Ik probeer het beste te combineren van de beide culturen, de Vlaamse en de Nederlandse. De rijkere Vlaamse woordenschat versus het, soms ‘boekhouderige’ Nederlands. Maar ook het buikgevoel versus het verstand. Ik heb met name door naar Nederland te komen geleerd om assertiever te zijn en me niet te laten wegdrummen. Meer dan de helft van mijn leven woon ik in Nederland maar ik beweeg me even goed in Vlaanderen als in Nederland. Ik voel me een Vlaamse Nederlander, waarbij Vlaams een verwijzing is naar mijn oorsprong. Het aspect ‘benoemen’ heeft door mijn verblijf in Nederland nog een diepere dimensie gekregen.

De vorm van je gedichten is veranderd, van tweeregelige strofen naar drie met een losse zin tussen de twee coupletten. In hoeverre is de vorm meer dan een eigen houvast?
De vorm is voor mij een voertuig. Het brengt de inhoud ergens naartoe en juist door een bepaalde vorm te hanteren kun je spanning scheppen en de lezer op een vriendelijke manier dwingen om te recapituleren, te herlezen. Ik heb die vorm nodig om mijn beelden in te gieten. Ik voel me het beste thuis in die korte gedichten. Eén of twee beelden die scharnieren, kantelen. Ik huiver bij bladzijdenlange gedichten.

Je schrijft origineel en beeldend, je gedichten zijn voor meerdere uitleg vatbaar. Moet de lezer ze ook echt begrijpen?
Vanaf het ogenblik dat een lezer een gedicht van mij leest is het van hem of haar. Dat gebeurt mijns inziens altijd met het referentiekader van de lezer. Wat doet het met jou als lezer is de vraag en niet wat zou de schrijver hiermee bedoelen. ‘Begrijpen’ zou ik willen vervangen door ‘je laten grijpen’.

Je hebt een volstrekt eigen poëtica. Ik citeer dichter/criticus Albert Hagenaars: ‘hij is in staat gebleken om ver van de literaire machtscentra en zonder spraakmakende publicaties z’n eigen weg te volgen’. Hoe houd je dat vol?
Het is, van het begin af aan, mijn credo geweest: ik volg mijn eigen ster. Het is intensief maar daardoor voor mij waardevol. Ik heb een eigen stem en in mijn poëzie heb ik vanaf het eerste gedicht absolute vrijheid betracht. Dat doe ik nog. Ik luister wel naar de vragen die collega-dichters bij mijn werk stellen, maar die vragen duwen me niet in een andere richting. Het werkt als de eerder genoemde spiegel.

Wat is het verschil tussen een gedicht van je en een ZKV, een zeer kort verhaal, zoals verschenen in het tijdschrift ‘Kort’ nr. 2, juni 2019?
In een gedicht is er voor mij een ander soort spanning (dat heeft met de beelden en hun scharnierende werking te maken) dan in een ZKV. Een ZKV is meer een idee met een verrassende wending. Een ZKV ligt dichter bij spreektaal.

We gaan je ook terugvinden in de bloemlezing Denkend aan Marsman, een uitgave van Stichting Spleen, waarin 78 dichters reflecteren op Herinnering aan Holland. Wanneer las je Marsman?
Marsman behoort tot de eerste groep van dichters die ik las zo rond mijn 15e levensjaar. Ik noem er een paar: Paul van Ostaijen, Guido Gezelle, Rainer Maria Rilke, Hugo Claus, Paul Snoek,H.C.Pernath, Hans Faverey, Rutger Kopland, …. Ik blijf wel de klassieken lezen maar ik blijf de ontwikkelingen in de poëzie wel volgen. Het is tof dat er veel dichters op podia stappen en de poëzie dichterbij brengen. Maar de magie van podiumdichters gaat na lezing nogal eens verloren, wat mij betreft.

 

een cyclus uit de te verschijnen bundel Sanguines

I.

Hij kerft met een jongensmes
haar naam op heuphoogte, vraagt
het meisje aan die boom van vroeger

haar naam letter na letter te spellen
in de stam. Hij verjaagt de kraaien,
de buizerds met vonkende ogen.

Hij verbergt elke letter van haar naam
in een vrucht, hij schikt appels, noten,
druiven op het dienblad

van haar lippen. Hij watermerkt elke
traan in zijn briefpapier, slijpt zijn mes,
herslijpt het met haar naam.


II.

Er is een mes altijd in handbereik.

De ogen op een dobbelsteen zijn vervangen
door de letters van haar naam. Vogels zitten

op zijn mes. Hij snijdt het watermerk uit.


III.

Hij leest voor haar rozen en tulpen
in een tuinprieel, ziet hoe zij luistert
zoals alleen zij naar tulpen en rozen

kan luisteren. Hij groet de voorbijgangers
met een enkelvoudig woord en vraagt
ze naar de sterkte van hun verrekijkers.

Hij fluistert de vrouwen geheimzinnige
kleuren in, leert de mannen het hart van
hazen op hun handpalmen te voelen.

Hij leest haar bloemen voor,
in het hout van een tuinprieel
graveert hij rozen in tulpen.


IV.

Er is een tuinprieel op de kanteling

van lente en zomer. Kleuren worden
in lenzen gevangen. Zijn stem wordt

roder en bloost in tulpen en rozen.

 

Geplaatst in Interviews.