Malou Swinnen & Inge Braeckman – La pose voilée

Eros onthoofd

door Romain John van de Maele

In 1989 verscheen Wit is altijd schoon, een roman van Leo Pleysier. Om misverstanden te vermijden, voeg ik er meteen aan toe dat wit niet naar de huidskleur van Pleysiers personages verwijst. Toegepast op de dichtbundels van uitgeverij P, is de uitspraak van Pleysier nog altijd geldig. Het sobere, altijd witte voorplat en het opvallende formaat zijn even bekoorlijk als de crèmekleurig ‘verpakte’ essays en romans in de NRF-reeks van uitgeverij Gallimard. Een bundel die visuele kunst en gedichten bevat, moet ook als artefact een keurige indruk maken. La pose voilée – vrij vertaald Het gesluierde model – bevat kleine foto’s van bloemen en naakte vrouwen die een sluier dragen. De foto’s zijn van Malou Swinnen (1944), die het initiatief nam voor de bundel, de gedichten zijn van Inge Braeckman (1974). Het boek wordt in- en uitgeleid door kunsthistorica Ruth Hommelen (1977).

Ruth Hommelen heeft terecht op het miniformaat (9 x 9 cm) van de foto’s gewezen. In de bundel worden de beelden zelfs bijgeknipt tot 7 x 7 cm. De beelden doen me denken aan de schaarse daguerreotypes die nu en dan op een luizenmarkt worden aangeboden. Aan de andere kant lijken sommige beelden van Swinnen enigszins op etsen. De halo-achtige contourlijn van de lichamen verwijst naar de solarisatie-techniek van Lee Miller en Man Ray (6). Ruth Hommelen benadrukt terecht het verschil tussen volledig naakte figuren en gesluierde modellen, maar ik volg haar redenering niet helemaal. Het ‘hermetisch afgesloten gelaat’ stelt volgens Hommelen de fotografe in staat om ‘het naakte lichaam […] in alle generositeit’ aan de kijker te tonen. Het probleem is echter, dat gelaat en lichaam een eenheid vormen, zoals dat ook met geest en lichaam het geval is. Door het versluieren van het aangezicht, verliezen de modellen hun identiteit. Men kan inderdaad geheel bevrijd naar anonieme naakte lichamen kijken, maar zonder identiteit zijn die lichamen niet meer dan artefacten, die geen erotisch spel van geven en nemen inleiden. De echte erotiek wil zich uiteindelijk aan het lichaam onttrekken, twee identiteiten laten samensmelten in een nieuwe identiteit die per definitie de blote lichamelijkheid overstijgt. Merkwaardig vind ik ook dat deze mooie bundel eindigt met de presentatie van Le mouvement figé, een reeks van vijf foto’s die volgens Ruth Hommelen ‘reeds alle elementen [bevat] die Malou Swinnen in La pose voilée verder uitgewerkt heeft’ (81). Als de ‘epiloog’ van de bundel in feite het embryo is waaruit de bundel is ontstaan, waarom werd die reeks dan niet als ‘proloog’ voorgesteld? De fotoreeksen bestaan niet alleen uit gesluierde vrouwen, maar ook uit bloemen die uit hun natuurlijke omgeving werden losgerukt. De close-ups van de verschillende bloemen hebben alleszins een veel grotere poëtische dimensie dan de vrouwenlichamen zonder identiteit.

Inge Braeckman gaf aan haar gedichten de titel ‘Door de handen van Amor van een adem voorzien’. Amor of Cupido is in het oude Rome de god en personificatie van de liefde. Hij is tevens een speels knaapje dat met pijl en boog de harten in liefde ontsteekt. De foto’s brengen op geen enkel ogenblik Amor of Cupido in beeld, en als de object geworden lichamen toch van adem werden voorzien, dan gebeurde dat door de fotografe, niet door een onzichtbare jonge god. Hoewel de titel van de reeks gedichten bij mij filosofische weerstand oproept, bevat het eerste gedicht correcte waarnemingen/stellingen, en Inge Braeckman bevestigt indirect de ‘Verdinglichung’ van de vrouwenlichamen:

Naaktheid behoeft geen achtergrond, en geen verklaring.
Hoe anders spreekt het lichaam zonder de verleiding van
het gelaat. Door de handen van Amor van een adem
voorzien – zoals zijn pijlen altijd raak. De muze is om

te begeren, in wit- en grijstinten gespannen. De kreet
in het masker gesmoord creëert een pose doorheen
eeuwen. De lijnen van het lichaam als geheugen van
het geleden leven. De fotografische blik schept het

naar haar eigen ogen. Venushaar als mededogen
voor wat het innerlijk niet tonen wil. Vruchtpluis
om over de werkelijkheid uit te blazen – de wereld
te bedekken met een wollige laag, even teder als je huid.

(p. 17)

Het (afwezige) gelaat dat niet ‘verleidt’ nodigt ook niet uit tot een ‘gesprek’, en ik vraag me af of er dan sprake kan zijn van een begeerlijke muze ‘in wit- en grijstinten’. Dat aan de ‘verdinglichte’ vrouw adem wordt geschonken, staat haaks op de ‘in het masker gesmoorde kreet’, tenzij het om een vreugdekreet zou gaan. De beeldspraak is nu en dan onhoudbaar. In het tweede gedicht, dat zeer nauw aansluit bij het naakt op de flankerende bladzijde, heeft de dichteres het over ‘De liefdeswond, een snede op dit blad papier.’ (21) Op die foto is het aangezicht niet helemaal verhuld, de sluier bedekt slechts gedeeltelijk de borsten, en wijst de weg ‘naar de begeerlijkheid en verleiding’. Welke begeerlijkheid: ‘de liefdeswond, een snede op dit blad papier’? Hoe kunnen begeerlijkheid en liefdeswond met elkaar worden gerijmd, vooral als in de beschrijving wordt onderstreept dat er ‘geen weerloosheid’ in het spel is? Het derde gedicht, dat zeer goed aansluit bij de foto van een vrouw met bijna zedig tegen elkaar geklemde billen, is zonder twijfel de beste bespiegeling:

Het hoofd gebogen als offer voor wat de lelie
verbergen kan. De zuivere tred in beeld gebracht.

De spreidstand van vingers klauwen naar
leven. Ze tasten de ruimte onzichtbaar af.

Jeugdige frisheid doet zich vermoeden,
als het eerste zonlicht op een grasveld in dauw.

Verborgen je ogen zijn ze ontloken in het
onstuimige aura van alles wat ontluiken kan.

Een bloesem voor wat zal komen.

(p. 25)

De inversie in de eerste versregel van de vierde strofe kan ik echter niet kaderen in de door Sjklovski beschreven vervreemding, waarbij een bijzondere, vervormde weergave van de werkelijkheid ons er een vernieuwd en intenser bewustzijn van geeft. De inversie is ronduit storend.

Ook het zevende gedicht heeft me kunnen bekoren. De eerste twee strofen citeer ik graag: ‘Sneeuwklokjes van geluk, het vermoeden van een / winter nog in zich dragend, met dubbele ronding // al naar de lente gericht, in verbondenheid, gehuld / in een precieuze tederheid, als droombeeld van // onschuld…’ (51) Soms maakt Inge Braeckman gebruik van beelden die aan het werk van de experimentelen doen denken. De beelden botsen en dragen niet bij tot een verdiepte lezing van de foto’s – ik denk aan de eerste twee versregels van het tiende gedicht : ‘Als een wijngaard om van te blijven drinken, een onstuimig / zeevlak, daal je af tot de diepte van een houding op papier’ (71). Hoe rijm je een wijngaard met een onstuimig zeevlak, en hoe daalt dat zeevlak (waaraan de aangesproken je in het gedicht gelijk wordt gesteld) af ‘tot de diepte van een houding op papier’? Dit soort beelden was niet vruchtbaar in de jaren vijftig, toen dichters met het woord experimenteerden alsof het een nieuw element betrof waarvan alle eigenschappen achterhaald moesten worden. Ze vergaten al te vaak dat woorden die in een zinsverband – versregels – worden gebruikt geen atomen of scheikundige verbindingen zijn. Veel gedichten uit de experimentele periode gingen aan de lezer voorbij, en wat toen niet vruchtbaar was, is dat evenmin vandaag. Het laatste gedicht, dat zuiver beschrijvend is en geen beroep doet op overdreven metaforen, is als directe weergave van de foto op bladzijde 87 het meest geslaagde, en naar mijn gevoel zal het ooit thuis horen in een bloemlezing over de eeuwige vrouw. Het is jammer dat Inge Braeckman in de andere gedichten dat niveau niet heeft gehaald.

____

Malou Swinnen & Inge Braeckman (2019). La posé voilée. Uitgeverij P, 96 blz. € 24,95. ISBN 9789492339799

Geplaatst in Recensies.