Quito Nicolaas – Argus

Onopvallend vrijmoedige Caribische poëzie

door Kamiel Choi



De eerste indruk die ik had van de bundel Argus van Quito Nicolaas was openhartige lyriek met weinig pretentie. Regels als ‘Als mijn ogen sluiten / begint een nieuwe dag / omringd door bloemen / met een hemelse geur / het huis van vroeger strelend.’ of ‘Als zelfs m’n geweten / ophoudt met praten, / zullen herinneringen dit blijven navertellen.’ duiden op een naïeve poëtica, een verlangen om dingen gewoon te zeggen of op te schrijven, in alledaagse taal.

Quito Nicolaas koestert de taal. De flaptekt heeft het over het ‘swingen en zingen van Nederlandse, Engelse, Spaanse en Papiamento woorden’, hoewel dit meer voorkwam in zijn vorige bundel bij In de Knipscheer, de anthologie Als de aloë sluimert / Cucuisa cabisha. Het consequente gebruik van ‘m’n’ en het stokkende ritme van zijn vrije terzines en kwatrijnen zorgen wel voor een exotische sfeer die afwijkt van continentale Nederlandstalige poëzie, hoewel meer taalvermenging een beter inzicht had verschaft in de taalkundige werkelijkheid van de Antillen.

De omslagfoto van Anja Blijleven is een schilderij van klaprozen met gezichten die alle kanten uitkijken, met ‘argusogen’ dus. De bundel bevat zes afdelingen die een levensreis beschrijven: Sentimenten, Tegendromen, Gedachten, Het gesprek, Monoloog en Afscheid. Op de linkerpagina is steeds de Engelse vertaling door Mildred Antonius afgedrukt.

Er is een gedegen academisch voorwoord opgenomen door Dr. Sara Florian dat de dichter in de context van andere Antilliaanse dichters plaatst en de achtergrond van de titel Argus in de Griekse mythologie uitlegt. De reus Argus Panoptes, bekend om zijn honderd ogen is het wezen dat een van Zeus’ geliefden, Io, bewaakt. Zeus stuurt Hermes op hem af die hem betovert en vermoordt. Het gebruik van Griekse mythologie in een bundel die zich weert tegen de overheersende cultuur van de kolonisator is op het eerste gezicht vreemd. Ik denk dat Nicolaas’ referentie naar Argus losser is te verstaan, als een metafoor voor de mengelmoes van talen, de ‘spraakverwarring’ waarvan in het eerste gedicht al sprake is.

Naast het landschap van Aruba reizen we met de dichter mee naar New Orleans, Mumbai, Lima en Basra. Het leed in deze plaatsten wordt in eenvoudige zinnelijke regels beschreven. Op zijn best herinnert het ons aan Wordsworth, maar op veel plaatsen werken het eenvoudige taalgebruik en de korte regels kunstmatig, alsof er een vast recept wordt gehanteerd om een effect te genereren. Het werk doet soms abstract aan, bijvoorbeeld wanneer metaforen worden gemengd, zoals in het gedicht ‘Euforie’:

Laat mij
de geluiden horen
de schaduw van de euforie in mij
de stilte die het binnen in mij brengt.

De Engelse vertaling is, voor zover ik dat kan beoordelen, niet heel erg geslaagd en mist nuances. ‘Met al dat kleurige fruit’ wordt vertaald met ‘with that variety of fruits’, terwijl kleur juist essentieel is in de ervaring van de dichter.

Een gedicht dat de stijl en geest van deze bundel goed vertegenwoordigt is ‘Drijvende zeewolken’:

Drijvende zeewolken

Op de diepste bodem van m’n hart
snurken koralen, rust zeewier
verlangend naar een nieuw leven
dat continenten verbindt
stromend tussen de jaargetijden.

De gekrenkte zee, m’n rots, mijn bestaan
bezongen door een bariton;
geeft mij een intens gevoel van vrede
als een vis zwemmende in het bleekblauwe
zoute rivierwater.

Ondanks het weinige talent voor contact,
ben ik tevreden, heb ik het snel naar mijn zin,
echter ik vrees rampen en lozingen,
want vaak komt in vreemde wateren
plots het einde doorsijpelen.

Zand opscheppend van de bodem
het water, kalm als de nabije zee,
onbeweeglijk;
zijn mijn handen nog steeds nat.
Druivenwingerds tegen verdamping, als een stuw,
beleef ik het getij, als mijn laatste rustplaats.

Er staan allusies in naar Griekse maritieme beeldtaal, geen Scylla en Charybdis, geen Poseidon, geen sirenen, maar oorspronkelijke metaforen die de liefde voor Aruba uitdrukken. Ik zou deze bundel interessanter hebben gevonden wanneer die beelden nog meer waren ontwikkeld, en de invloed van de meertaligheid beter naar voren kwam. De ‘ogen van de straat’ met hun ‘bedwelmende blik’ die alles registreert, in het slotgedicht ‘pretoogjes’, zouden dan een krachtig uitroepteken hebben gevormd achter het pleidooi voor de Caribische literaire identiteit.

____

Quito Nicolaas (2019). Argus, Uitgeverij In de Knipscheer, 108 blz. € 18,50 ISBN: 9789062657575

 

Geplaatst in Recensies.