Wim Meyles – Ik dicht plezier

Bundel vol luchtige eenhapsversjes

door Inge Boulonois

Ik dicht plezier. Er is genoeg getob gezwoeg gemor gemier vormt het vierentwintigste boek van Wim Meyles (1949). Deze zeer productieve schrijver afficheert zichzelf op de achterkant van de bundel als taalhumorist. Als dichter publiceert hij sinds een jaar op de lightversesite www.hetvrijevers.nl. Elke maandag verschijnt er van zijn hand een op de actualiteit geënt snelsonnet op www.gedichten.nl, de webstek waar Driek van Wissen destijds eveneens zijn satirische snelsonnetten lanceerde. Meyles was in zowel 2018 als 2019 finalist van het Nederlands Kampioenschap Light Verse-Dichten te Emmen. Dit jaar won hij daar de derde prijs.

Meyles woont in Sint Pancras en heeft veertig jaar in het voortgezet onderwijs gewerkt, als docent Engels en als decaan. Niet exclusief op het gebied van taal is hij creatief. Zijn site www.wimmeyles.nl toont zijn veelzijdigheid. Hij schept ook beelden uit hout. Als schooldecaan ontwierp hij een beroepskeuzetest. In de jaren tachtig kreeg hij bekendheid door boekjes waarin humoristische kwinkslagen en woordspelingen centraal stonden. In de loop der tijd richtte hij zich meer op het schrijven van humoristische sprookjes, fabels en andere verhalen. Bovendien was hij een aantal jaren columnist voor het inmiddels opgeheven dagblad De Pers.

Ik dicht plezier, een publicatie van de Friese uitgever Elikser, ziet er verzorgd uit. Op de voorzijde prijkt een veelkleurige, licht geabstraheerde vogel met gespreide vleugels. Je kunt erbij denken aan een uit de as verrezen feniks, maar in combinatie met de titel van de bundel zie ik eerder een vogel die aan het tobbende, zwoegende leven op aarde ontsteeg. Ben Wansink heeft de binnenkant met veertien cartooneske zwart-wit illustraties verlucht. Op de achterkant staan zes voorproefjes als teaser, waaronder het verrassende ‘Bloedmooi’:

Mooie Hannelore,
ringen aan haar hand,
piercings in haar oren
en een enkelband.

De inhoudsopgave geeft aan dat de verzen zijn ondergebracht in vijf hoofdstukken. Het eerste bevat zogenaamde filosoviertjes, een door Meyles bedachte naam voor vierregelige, metrische versjes met twee eindrijmklanken. Filosoviertjes, zo leidt de dichter dit hoofdstuk in, zijn zowel luchtig als beschouwend van aard. Voor de overzichtelijkheid heeft hij ze gerangschikt naar voor de hand liggende thema’s als liefde, familie, lichaam, taal etc. Niet alleen in dit hoofdstuk maar in de hele bundel zijn de verzen gecentreerd weergegeven.

Al in het eerste hoofdstuk verraadt de taalhumorist zich. Meyles lardeert zijn verzen met ludieke neologismen als chattebout, mineuroloog, trammeland. Geregeld plaatst hij oude woorden in een hedendaagse context, zoals oliedom in het vers ‘Voortschrijdend inzicht’.

Steeds meer klimaatproblemen dreigen;
de mensheid snapt: het roer moet om.
Zelfs Shell begint het door te krijgen:
fossiele brandstof: oliedom.

Ook in ‘Wie kent ze nog’ combineert Meyles oud met nieuw:

Woorden die verouderd zijn:
ulevel en karabijn,
jarretel en bellettrie,
krentjebrij en privacy.

In totaal bevat het eerste deel ruim hondertien filosoviertjes die vanzelfsprekend niet alle even komisch zijn. ‘Onmisbaar’ bijvoorbeeld behelst weinig meer dan rijm op een taalvondst: ‘Telefoon:/ wonderschoon / attribuut / appsoluut’.

Hoofdstuk twee bevat uitsluitend snelsonnetten: zesregelige, jambische verzen opgebouwd uit een kwatrijn en een distichon met een chute of volta, een inhoudelijke wending zoals die in sonnetten normaliter na het octaaf valt. Het snelsonnet leent zich, anders dan filosoviertjes, veel meer voor opbouw van spanning en een maatschappijkritische clou, waar Meyles dan ook gretig gebruik van maakt. Inhoudelijk geestig en formeel zeer geslaagd is ‘Terugtredende overheid’:

De overheid wordt altijd graag verlost
van zaken die de schatkist ruïneren.
Regeren is kordaat privatiseren:
het openbaar vervoer, de zorg, de post.

Wat volgt? Het kabinet is ambitieus.
Het koningshuis lijkt mij een goede keus.

Hilarisch vind ik ‘Bedrijfsdichter’.

Ik sta bekend om mijn reclamezinnen,
voor Blokker, V & D en Hudson’s Bay.
Die zaken zat het achteraf niet mee.
Nu moet ik elders maar vertrouwen winnen.

Vandaag bedacht ik weer zo’n gouden greep.
Ik schenk hem aan Verkade: ‘Lik mijn reep!’

Het hoofdstuk erna is gevuld met Trijntje Fops. Vijftien stuks bij elkaar. Dit zijn ludieke zesregelige, metrische dierenversjes in gepaard rijm. De vorm is een inventie van Kees Stip die deze naam indertijd als pseudoniem gebruikte. Zo schreef Meyles ‘Op een postduif’.

Een trieste postduif uit de Zaan
is ontevreden met zijn baan.
Hij draait geregeld overuren:
de mens wil meer en meer versturen.
Hij sprak met een verstikte stem:
‘En bovendien is alles spam.’

Het vierde hoofdstuk bevat amuses, afgeleid van de gastronomische amuse-gueule, letterlijk vertaald: vermaak voor de mond. Meyles introduceert die culinaire term in de bundel als volgt: ‘eenhapsgedichtjes van vier regels die alleen maar humoristisch bedoeld zijn, dus zonder enige diepgang.’  Formeel zijn het metrische versjes met twee eindrijmklanken. Nu pas valt me op dat de bundel, anders dan de inhoudsopgave voorin suggereert, geen vijf maar vier hoofdstukken bevat. De drukker heeft daar een foutje in de opmaak gemaakt.

De amuses in het vierde, laatste hoofdstuk zijn evenals de filosoviertjes onderverdeeld in categorieën. Over liefde en relaties schreef hij ‘Liefde op niveau’.

Vele jaren, lieve Trudy,
hebben wij van onze studie
Nederlands profijt gehad:
altijd samen woorden schat!

Hoewel er beslist leuke tussen zitten, vind ik het hoofdstuk met amuses het minst geslaagde deel van de bundel. Al zijn ze, volgens de dichter, enkel humoristisch bedoeld, van een geslaagde amuse blijft de fijne smaak wel even nazinderen. Nogal wat verzen zijn  weinig meer dan een obligaat mopje zonder esprit, zonder de verrassing van een kwinkslag die bij light verse hoort. Zoals ‘Verleden tijd’: ‘Een zitlap die vergeten was / door fietsers bij een eenzaam ven, / verzuchtte in het hoge gras: / “Ik vrees dat ik nu zatlap ben.” ‘ Verder gebruikt Meyles  regelmatig namen, niet alleen van plaatsen zoals in limericks, maar ook van personen waardoor rijmdwang er soms dubbeldik bovenop ligt. Neem ‘de Vliertjes / biertjes en broeder Eep / greep’. Zulke gemakzuchtig rijm heeft Meyles absoluut niet nodig.

Voor mij speelt ook het wel heel royale aantal amuses een rol. Het zijn er ruim honderdnegentig!  Aangezien het niveau varieert, dreigen de leuke al gauw overschaduwd te worden door de minder geslaagde en dat is jammer. Zo wordt de kaviaar bedolven door een ferme schep friet. Ik hoop dat Meyles de volgende keer selectiever is en Von Goethe’s tijdloze wijsheid ter harte neemt: ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. De verzen die hij recent in Emmen, bij het Nederlands Kampioenschap Light Verse Dichten, voordroeg, waren stuk voor stuk geestig. Daar zaten ook lange verzen bij, waardoor het  meer dichtkunst in plaats van taalspel is.

Aan vindingrijkheid en talent ontbreekt het Meyles beslist niet. Zijn verzen lopen metrisch mooi strak in de pas. Alles bij elkaar genomen valt er aan Ik dicht plezier heel wat te beleven, al raad ik de lezer aan er niet te veel tegelijk te consumeren. Het is een toegankelijke bundel waaraan vele lezers hun hart kunnen ophalen, als tegenwicht van het vaak onvermijdelijke getob, gezwoeg, gemor en gemier dat het dagelijks leven ons voorschotelt. Qua formaat past het maar net in een schoen, maar onder de kerstboom is ruimte voor vele.

____

Wim Meyles (2019). Ik dicht plezier. Er is genoeg getob gezwoeg gemor gemier. Elikser, 163 blz.  € 14,95. ISBN: 9789463651745

Geplaatst in Recensies.