Annet Zaagsma – Een mooier woord is vuurgevaarlijk

Temmen van de taal

door Inge Bak

Annet Zaagsma (1971) heeft alles in huis voor pakkende poëzie. Dat is ook opgevallen bij Het Schrijverspodium waar zij respectievelijk een tweede en eerste prijs behaalde bij de poëziewedstrijd en zo haar contract voor de bundel Een mooier woord is vuurgevaarlijk in de wacht sleepte. De dichter treedt pas sinds 2018 naar buiten met haar poëzie, van daaruit bezien is dit debuut een knappe prestatie.

‘U treedt een zone binnen waarin /
vogels vliegen en /
hun ding doen’

De bundel opent transparant met de beginregels van het gedicht ‘Broedplaats’, waardoor je direct een ruimte van vrije geesten betreedt. Niet alleen aangaande het thema van het eerste gedicht, maar het is ook van toepassing op de gedichten die daarop volgen. Je weet vanaf het eerste gedicht dat je met een ‘eigenzinnige dichter’ te maken hebt ‒ naar de omschrijving van de uitgever.

De ‘broedplaats’ impliceert een kunstenaarsenclave op een oud fabrieksterrein die wordt ontmanteld en waarmee de mogelijkheid van een vrijplaats ‒ voor het scheppen van nieuwe creaties ‒ teniet wordt gedaan: ‘de beeldbepalende baksteenindustrie / onder het beton ligt nog steeds ons strand’. Fraai, hoe hier wordt getoond dat al breek je alles af, verbeeldingskracht niet is af te breken, het strand is in de mens zelf nog aanwezig. Een solide gedicht met aan het einde een twist die de tegenstrijdigheid aantoont van de sloop. Het maakt ook duidelijk hoe hoog de dichter kunst en literatuur ‒ de scheppingskracht ‒ in het vaandel heeft staan.

In het gedicht ‘Incomplete materialen’ (blz.42) bevestigt ze nogmaals dat je eigenlijk geen materie nodig hebt om iets voort te brengen. Dat weet Zaagsma te vangen in een existentieel gedicht. De derde strofe onderstreept heel basaal de zoektocht naar niet alleen poëzie maar eveneens naar de vervolmaking van het leven. Gevat in drie zinnen die in je rond blijven zingen:

‘ooit was ik niet van hier /
mijn bagage is onduidelijk /
ik weet alleen dat er iets mist’

Daar waar de dichter zuinig is met woorden, is zij op haar best.

Mooie woorden, de boektitel geeft dat al prijs, gebruikt Zaagsma graag. Naast ‘vuurgevaarlijk’ vind je in haar poëzie woorden als ‘koperzingen’, ‘vlinderorchis’, ‘ochtendschroom’, ‘zwaardlissen’ en ‘papiervisjes’. Hieruit blijkt haar talent voor het vinden van woorden die opzichzelfstaand al tot de verbeelding spreken.

mijn fiets heeft de hik
een drama speelt
tussen de punaisegigant en de
steunzool/schuimrubberspecialist
kaasschaaf de rafelranden van de nacht waad
me een weg door het zwerfvuil naar huis

Die vindingrijkheid vind je ook terug in haar zinnen. Een zin als ‘mijn fiets heeft de hik’ in bovenstaand fragment (‘Na sluitingstijd’, blz.6) is een speelse vondst voor het omschrijven van een fiets waar iets aan rammelt. In datzelfde gedicht slaat ze met de zin ‘kaasschaaf de rafelranden van de nacht’ voor mij de plank even mis. Kaasschaaf detoneert als voorwerp in de geschetste weg naar huis en is ook niet als associatie uit de voorgaande regels te herleiden. Of het moet een verwijzing zijn naar een niet beschreven volle maan ‒ rond als kaas ‒ in de nacht. Maar dat blijft gissen.

Over raden gesproken:

De paarsige ochtend pekelde mijn bevroren tong 

de paarsige ochtend pekelde mijn bevroren tong
de hekel beet vers zijn weg door mijn spreken
een druppel schampte mijn scheen
op weg naar buiten bevroren
schouders werden opgehaald

de spreekwoordelijke kraaien zaten al klaar
om mijn scherpe vriend finaal te verwijderen
de verwachte smaakexplosie bleef uit
minder bitter betekent nog niet zo zoet
als mijn silhouet in de suikerspiegel suggereerde

hoewel het ijs nu smelt en gletsjers schuiven
harnas ik mij in bladmetaal als
mijn tong de vrijheid vent
mijn hart daar sidderde en schuimde
als een gezilte slak

na de roofmoord van het donker de duizend
zweepslagen van de stilte
mist de morgen nog
steeds de zoute zege van de rede
op het recht van belediging

In bovenstaand gedicht (blz.25) is het voor mij lastig om te achterhalen wat de dichter hiermee precies wil zeggen. Gaat het gedicht over het gegeven dat er slecht geluisterd wordt naar de zorgen die omtrent de klimaatsverandering worden geuit? Of behelst het de vrijheid van meningsuiting? Ik weet niet waarom ik afhaak. Is het omdat ik mij afvraag hoe een paarsige ochtend een tong kan pekelen? Ik lees een aangename alliteratie maar kan niets met een ochtend die een tong in het zout legt. De gekozen beelden zijn mij te gekunsteld en komen niet tot leven en/of samen. Annet Zaagsma is een dichter die iets te vertellen heeft en ik wil graag met haar oplopen. Maar waar wil zij mij als lezer mee naar toe nemen? De gekozen woorden creëren obstakels.

De taal die ‘in het wild’ ontstaat, zoals de achterflap vermeldt, zou af en toe ietwat getemd mogen worden. Voor die valkuil dient Zaagsma te waken. Intuïtief schrijven kan veel moois opleveren maar vraagt tevens om het doseren van de ‒ door de dichter gebruikte ‒ vervreemdende taal en het voor ogen blijven houden van de inhoud. Zeker in een bundel zonder afdelingen als leidraad. Soms sluit de dichter zich teveel op in haar eigen wereld waardoor de lezer een buitenstaander blijft. Aandacht voor wat meer ingangen zou dan welkom zijn.

Eigen taalvondsten gaan haar goed af, zoals ‘pauzelandschap’ en ‘uitvanhuizen’ in onderstaand gedicht (blz.17). Het leest als een poëet in gesprek met zichzelf, die niet anders kan dan zich af te zonderen om te schrijven ‒ het buiten naar binnen haalt in verzen. En zo grip op – vorm in – haar leven krijgt.

Alles is vorm 

Druppelde donderdag mezelf naar huis
heb heel gevoelige blauw­
met inkt bevlekte vingers
vandaar lekkage als metafoor

iedereen is altijd onderweg door
het volgeplande pauzelandschap
jij dan bent altijd binnenshuis
aan het uitvanhuizen je

stampij zorgt voor pleinvrees
en storm in mijn haar hanenbalken
butsen mijn hersenpan beurs
blond bloed loopt van de bladspiegel
ik wil krullen in mijn brein

tuitpruilmondjes mijmeren al
weer alles in vorm Zeg
niets meer aan doen Zeg
handhaving op inhoud is volstrekt
onmogelijk mits we

de juiste formules vinden voor
de kunst van het scheiden.
Ja ik wil niet ik ook van jou
harnas of navelstreng
alles is vorm

De plaats van regels afbreken is niet altijd logisch en ook verloopt ‒ door het ontbreken van interpunctie ‒ het vloeiend doorlezen in een aantal strofen wat stroef. Dat zou eenvoudig voorkomen kunnen worden door het plaatsen van komma’s, bijvoorbeeld tussen ‘haar’ en ‘hanenbalken’ in de derde strofe. Nu moet je terug naar het begin van de regel om door te krijgen dat bij ‘hanenbalken’ een nieuwe zin begint. Ditzelfde kun je zeggen over het ontbreken van een komma tussen ‘uitvanhuizen’ en ‘je’ waardoor er visueel een kromme zin ontstaat: ‘aan het uitvanhuizen je’. Bij een voordracht zal niemand erover vallen maar op papier remt het af. Dit komt in meerdere gedichten voor. Ik weet niet in hoeverre je dit de dichter kunt aanrekenen, die een experimentele aanpak van dichten heeft en debuterende is; een redacteur had hier naar mijn mening op moeten wijzen. Inhoudelijk duidt het gedicht de sensitiviteit van de schrijvende mens aan ‒ het wikken en wegen in eenzaamheid om te komen tot een gedicht. De laatste regels ‘harnas of navelstreng / alles is vorm’ vind ik typerend ‒ naast dat het een mooie tegenstelling is ‒ voor de gehele bundel: Zaagsma laat zich niet harnassen. Zij heeft haar voorkeur voor vorm al uitgesproken. Ik zie haar ontwikkeling als dichter dan ook met belangstelling tegemoet
_____

Annet Zaagsma (2019). Een mooier woord is vuurgevaarlijk. Kirjaboek, 45 blz. €12,50. ISBN 9789460083204

Geplaatst in Recensies.