Jan Boerstoel – Tussentijd

Verzen die ook zonder muziek klinken

door Inge Boulonois



Boerstoels werk werd diverse keren gelauwerd. Mede dankzij de fine fleur van cabaret en theaterkunst en zijn medewerking aan tv-programma’s zitten zijn bekendste liedjes in ons collectief geheugen. Zo staat Karin Bloemens vertolking van ‘Geen kind meer’ uit 1993 op nummer 144 in de Evergreen Top 1000 2019; die tekst is vanzelfsprekend in Tussentijd opgenomen. Op 3 november, Boerstoels geboortedag, kon je dit chanson in Andermans Veren horen. Kick van der Veer had daarnaast een speciale verrassing bereid voor de jarige. Voor de liefhebbers is een en ander hier terug luisteren (vanaf 22:40).

Voor Tussentijd, opgedragen aan zijn vrouw Aletta, deed Boerstoel een greep uit zijn omvangrijke oeuvre. Het boek vormt een dwarsdoorsnede van een halve eeuw schrijverschap. Alle ooit bekroonde verzen staan erin en eveneens voor mij minder bekende als ‘Rondje Den Haag’ en ‘Hoe stil alles wordt’. De titel van de bundel is geïnspireerd door een citaat van Nabokov: ‘ons bestaan is niet meer dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis’. En daar, in de beschenen tussentijd, gebeurt het.

De titel prijkt in lichte, gele letters op de feestelijk rode hardcover. Jean Pierre Rawie schreef het voorwoord. De precies honderd verzen zijn chronologisch gerangschikt; de datum staat er steeds bij. De reeks begint met ‘Opa’s verjaardag’ uit 1969, volgens Jacques Klöters, die Boerstoel ontdekte, diens eerste meesterwerk. Het honderdste is ‘Souvenirs van ooit en later’ uit 2018 waarin ‘Alles gaat voorbij’ als refreinregel fungeert. Als een verzuchting klinkt aan het eind: ‘Dan was je vrij. / Eindelijk vrij.’ Het werk van de liedtekstauteur, zijn leven van (klein)kind tot oudere, tot onvermijdelijk uiteindelijk voorbij, is op deze wijze mooi in een boekband gevat, als papieren tussentijd.

Melancholie, vaak gelardeerd met subtiele humor, is karakteristiek voor Boerstoel, die Simon Carmiggelt als zijn literaire vader beschouwt. In ‘Het oude liedje / Winterlied’ uit 1972 nemen vergankelijkheid en verlies een prominente plaats in.

Het is weer herfst, de bollenvelden worden toegedekt
als kind’ren voor de nacht, maar déze nacht gaat maanden duren.
En aan de einder zie ik, hoe de rook van verre vuren
in paarse wolken langs de bleke najaarshemel trekt.
De zomer is voorbij en jij voorgoed van mij genezen.
Morgen zal het winter wezen.

De blaad’ren sterven en de laatste oogst wordt ingehaald.
Nog even en het vee gaat weer verdwijnen uit de weiden
en nu al lijkt het, door de flarden ochtendmist, bij tijden
tot wangedrochten uit het schimmenrijk te zijn vervaald.
Maar wie of wat geen warmte wacht begint de kou te vrezen.
Morgen zal het winter wezen.

Alles wat in de kamer is herinnert nog aan jou,
als ik mijn ogen dicht doe, kan ik haast je stem nog horen.
Het bed heeft zelfs je warmte nog niet helemaal verloren,
alsof het zich verzet tegen de naderende kou.
Hoe zal ik ooit nog éne dag gelukkig zijn na dezen?
Morgen zal het winter wezen.

Het kan niet anders: heel incidenteel kom je in Tussentijd gedateerd taalgebruik tegen als ‘na dezen’. Inhoudelijk schuwt Boerstoel de zware onderwerpen niet. In de bundel staan verzen over een doodgeboren kind, een jongetje dat zijn vader heeft verloren, over oorlog, het front, de nazibeulen.

Door Boerstoels teksten sluimert maatschappijkritiek. Soms is deze door pregnante metaforiek geprononceerd aanwezig, zoals in ’Wandeling door Rijnmond’. De eerste en de laatste zin: ‘De zon komt op boven de afvalhopen, / de laatste vale flarden ochtendsmog / zijn in de grijze leegte uitgevlokt.’ respectievelijk ‘Een regenboog breekt door het wolkendek / in alle kleuren van een olievlek.’

‘Wolfschaap’ is een introspectief gedicht: ‘Ik ben een wolf, waarin / een schaap verscholen zit, / een wolf die grauwt en snauwt, / een schaap dat blaat en bidt…. En levenslang op zoek / naar iets daar tussenin.’ Boerstoel kruipt soms in de huid van een vrouw. Zo gaat ‘Je wist natuurlijk’ over het lege nest van een moeder. ‘Schilder’ uit 1983 schijnt te zijn gebaseerd op een ongeluk dat hij zag gebeuren.

Ik heb een schilder dood zien vallen
van driehoog aan de overkant
en op de tegels neer zien smakken
en stil zien liggen naderhand.
Hij stond gewoon zijn werk te doen
en wou zijn ladder wat verwrikken.
Een ongeluk komt nooit alleen,
maar hij was dood voor ik kon schrikken.

Ik heb een schilder dood zien vallen
op een betrokken voorjaarsdag.
Hij had een baard en bruine ogen,
die ik als laatste open zag.
Zijn ladder hield hij tot het eind,
alsof dat zin had, vastgegrepen,
maar langs de muur huilde zijn verf
nog door in trage witte strepen.

Wanneer in Nederland de doodstraf zou bestaan
met executies in het openbaar,
dan weet ik zeker dat ik daar nooit heen zou gaan,
nog voor geen tien miljoen kreeg je me daar.
En toch heb ik niet eens mijn ogen dichtgedaan
toen hij te pletter viel op het trottoir…

Ik heb een schilder dood zien vallen,
misschien al meer dan duizend keer
en steeds als ik aan hem moet denken
zie ik diezelfde beelden weer:
‘Zoals een kaars in open veld…’
Want doodgaan overkomt ons allen,
maar ik heb oog in oog gestaan,
ik heb een schilder dood zien vallen.

‘Haute cuisine’ vormt pure light verse. Dit gedicht is tot aan de uitsmijter ‘De wereld van de krab en van de crêpe, / de wereld van de culinaire nep’ doorspekt met allitererende en assonerende hapjes als ‘opgeklopte foefjes’ en ‘meesterproefjes’. Zo’n tekst vol geraffineerde puntigheid kan een luisteraar niet een-twee-drie opnemen. Er is verschil tussen zingpoëzie en leespoëzie.

Hij is vooral beroemd geworden doordat zijn teksten toegankelijk, herkenbaar en ontroerend zijn én omdat er chansons van zijn gemaakt. Waar echter weinig bij wordt stilgestaan is zijn grote dichterlijke professionaliteit, door Frank van Pamelen recent gecomprimeerd tot: ‘De fijnste uitstoot volgens mij, komt van de Jan Boerstoelderij’. Boerstoel was ook een van de vaste light versedichters van het jammergenoeg opgeheven tijdschrift De Tweede Ronde. Zijn teksten zijn het absoluut waard om ook als zelfstandige dichtkunst te savoureren. Formeel zijn ze maatvast – jambisch of trocheïsch – en bezitten eindrijm. Evident is dat hij lang aan verzen schaaft. Ook zonder zang klinken ze bijna als muziek. Zo bestaat het ‘Winterlied’ hierboven uit een vloeiende jambische heptameter. De zesregelige strofen hebben een eender eindrijmschema en de laatste (refrein-)regel vormt een – viervoetige – trochee.

Boerstoel heeft zelf ook een nieuwe versvorm bedacht, de tienregelige ‘decet’ waaraan Drs. P de naam ‘sonnettine’ gaf. Dit elegante, gedecimeerde sonnet bestaat uit twee Italiaanse kwatrijnen met omarmend rijm en sluit af met een liefst theatraal distichon.

De laatste tijd schijnt hij niet meer zo actief als liedtekstauteur te zijn, maar wie weet krijgt hij opnieuw de geest. Prometheus bracht eind 2018 opnieuw Boerstoels poëziedebuut Drinken doet een beetje zeer (1983) uit. De uitgever hoeft wat mij betreft niet lijdzaam af te wachten. In de eerdere verzamelbundel Veel werk (2000) staan maar liefst vijfentachtig sonnettines; dit boek is slechts tweedehands verkrijgbaar. Poésie d’Amour uit 1983 is geheel en al gevuld met deze Boerstoelinventie maar helaas zelfs tweedehands niet meer verkrijgbaar. Na eventuele schifting van de te nauw met de actualiteit van toen verweven sonnettines, zou ik een nieuwe uitgave, een dichtbundel, ervan toejuichen. Het zou mooi zijn als lezers weer iets hebben om naar uit te kijken, in de tussentijd.

____

Jan Boerstoel (2019). Tussentijd. Prometheus, 208 blz. € 19,99. ISBN: 9789044642629

Geplaatst in Recensies.