LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Gert de Jager – Schitterende, labiele knooppunten

24 jan, 2020

Woorden dragen werelden

door Herbert Mouwen



De eerste afdeling van de kleine bundel Schitterende, labiele knooppunten van Gert de Jager heeft dezelfde titel als de bundel zelf. Ze opent met het gedicht ‘Een subtiel spel’, dat een klein onderzoek naar die standpuntbepaling is, namelijk de generaliserende gedachte van wat ‘De mensen zeggen’ tot en met de conclusie dat ‘coherentie’ in de gedichten er wel is en ook weer niet; het is een ‘complexe net-niet coherentie’. Het standpunt van de mensen ‘dat mijn gedichten over de werkelijkheid moeten gaan. De werkelijkheid waarin ik leef’ lijkt heel krachtig, stabiel zelfs zou ik zeggen. Voor sommigen misschien wel onaantastbaar. Echter, die kwestie is voor dichter Gert de Jager een onbegaanbare weg of wellicht een niet langer begaanbare weg. Een voor iedereen herkenbare werkelijkheid waarin we leven, maakt het schrijven van poëzie onmogelijk voor de dichter en degradeert hem tot nutteloze kopiist. Poëzie creëert nu eenmaal een eigen werkelijkheid, die vrijwel nooit refereert aan een bestaande, voor de lezer herkenbare realiteit. De dichter zegt in het openingsgedicht: ‘Het gaat erom recht aan de werkelijkheid te doen en een subtiel spel te spelen / met coherentie als inzet.’ Twee interessante versregels, maar in dit gedicht staan alle versregels los van elkaar en daarom weet ik niet zeker of de inhoud van de voorafgaande twee versregels een opvatting van ‘De mensen’ is, hoewel ik sterk vermoed dat dat zo is. Coherentie in een gedicht mag weliswaar de ‘inzet’ zijn, maar ‘Die coherentie is er niet echt’, zoals De Jager zijn gedicht vervolgt. Dat niet echt zijn maakt nu precies het schrijven van poëzie mogelijk. Het gaat bij het dichten om het verfijnde spel met de taal als drager, met oog voor het labiele, het wankele, het onzekere van welke inhoud dan ook. Dit laatste is geen kwestie van accepteren, het is er.

Het tweede gedicht ‘Mijn gebogen houding’ is de volgende stap in het verfijnde spel van het dichten. In vier deelgedichten onderzoekt de dichter de betrouwbaarheid van zijn gewaarwordingen – voornamelijk het zien – en de beeldtaal in relatie tot plaats en tijd. Centraal daarin staat zijn positie op het plein waar hij zich bevindt, zoals in het vierde gedicht van deze korte reeks te lezen is:

Voordat ik terugloop naar mijn positie kijk ik om me heen: mijn ervaring
moet zoiets geweest zijn als een communie.

De menigte beweegt zich als een patroon over de vlakte die het plein is.

Waar knooppunten zijn – er zijn ontelbare knooppunten.

Ongekende wijdte.

Er staat een hallucinatie boven de platte daken en die bewaart en behoedt mij.

Mijn gebogen houding is die van de danser die wacht.

In dit gedicht staat de wachtende ‘danser’ klaar om zich over (of liever: boven) het plein te gaan bewegen. De knooppunten op het plein zijn onafhankelijk, is in het tweede gedicht van ‘Mijn gebogen houding’ al te lezen en ‘Ze zijn een onderdeel van patronen als van schaak- of damborden / zonder beperkingen of rand.’ De poëtische mogelijkheden zijn eindeloos op het plein van de dichtkunst met zijn ‘ontelbare knooppunten’ en ‘Ongekende wijdte’. Op geen enkele manier zijn er concrete tijd- en plaatsgebonden verwijzingen mogelijk. ‘De menigte’ is een niet nader in te vullen abstractie. Er is sprake van een overkoepelende ‘hallucinatie boven de platte daken’ en die is in staat om de dichter te beschermen. Waarvoor eigenlijk?

Na het lezen van de bundel stel ik vast dat Schitterende, labiele knooppunten een postmodernistische opzet heeft. Ik herken een aantal kenmerken, zoals die indertijd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Jos Joosten over het naoorlogse postmodernisme geformuleerd zijn. De criticus of recensent zal zich anders moeten opstellen, anders loopt hij vast. Een coherente, op samenhang gerichte interpretatie van postmodernistische poëzie zal tot weinig of niets leiden, hoewel ik er weinig problemen mee heb dat er bij mij tijdens het lezen van De Jagers poëzie een flinke verwarring ontstaat. Uiteraard hoop dat ik er uiteindelijk voor mezelf uitkom, anders blijft er een onbevredigend gevoel bij mij hangen, maar dat zal inhouden dat ik zal blijven zoeken. Postmoderne poëzie op een volledig nieuwe manier benaderen is niet zo simpel. Coherentie en eenheid, indelingen en categorieën, de persoonlijkheid van de dichter, de herkenbaarheid, thematiek, motieven en inhoud van het gedicht, de metaforiek, de muzikaliteit van de taal, de systematische ordening en de authenticiteit, dien ik als criticus geheel of voor een deel los te laten, anders schiet ik er volledig langs met mijn recensie.

In de eerste afdeling richten enkele gedichten zich in hoge mate tegen bovenstaande traditionele, poëticale opvattingen. In ‘Heidegger in Salerno’ gaat de dichter in op de vraag: ‘Waar is alles als het niet leeft in mij?’ Het gedicht kenmerkt zich door het logisch-rationele karakter. Het is een redenering die loopt van ‘Alles is / hier of daar omdat het leeft in mij.’ naar ‘Wat in mij is en / om die reden er is: dat is er nu’ naar de verzen ‘Heidegger leeft in mij en zelf leef ik ook in mij: / op gelijke wijze.’ Aspecten van Heideggers (moeilijk te begrijpen) filosofische werk Sein und Zeit (1927) zijn er in te herkennen. Zijn aandacht voor het leven van alledag en de betekenis daarvan voor de mens, zijn rol daarin en zijn onvrijheid, omdat hij leeft in relatie tot de ander. Bovendien is er altijd de angst dat het leven van alledag, dat hem langzaam vertrouwd is geraakt, wegvalt. In het ‘Het wereldraadsel’ lees ik dat je dit raadsel niet kunt oplossen:

Je kunt het oproepen.
Je kunt het uitbeelden.
Aanroepen desnoods.
Je kunt het een plaats geven in je werk,
Het omcirkelen o.i.d.
Je kunt beredeneren dat het elk aspect van de werkelijkheid omvat en dat
omgekeerd ongeveer hetzelfde geldt en je daarom beperken tot volstrekt
realisme.

Maar het oplossen: nee, dat lukt niet.

Eerst wordt onderzocht wat ‘Je’ allemaal met het wereldraadsel kunt doen, wie die ‘Je’ ook mag zijn. De oplossingen behoren allemaal tot de tekst, tot de werkelijkheid die op papier beschreven wordt: de werkelijkheid die ontstaat is het gedicht, het gedicht is de werkelijkheid. De slotredenering wordt prozaïsch, paradoxaal en relativerend weergegeven binnen het begrip van de werkelijkheid en daarom is het wereldraadsel niet op te lossen. Er is geen reminiscentie aan een bestaand wereldraadsel, er is een abstract, niet in te vullen wereldraadsel als werkelijkheid. In het gedicht ‘Mannelijke schouders’ lees ik ‘het raadsel van de werkelijkheid is / de werkelijkheid’. De gedichten in Schitterende, labiele knooppunten bevatten weinig beeldspraak, de enjambementen zijn vooral syntactisch bepaald, het taalgebruik is beschouwend en in hoge mate amuzikaal en de strofebouw is volkomen vrij.

‘Dezelfde afstand’, het tweede deel van de bundel, bevat dertien gedichten, die reflecteren op het dichterschap van de dichter en waarin ik soms enkele postmoderne kenmerken terugvind. Ik word niet emotioneel geraakt door de poëzie van De Jager, maar ik vraag me oprecht af of ik dat als lezer mag verwachten bij dit type gedichten. Was het eerste deel van de bundel nog uitdagend om het standpunt van de dichter en de poëtische ruimte waarin hij werkt te doorgronden, bij het tweede deel haak ik meer en meer af. Dat komt hoofdzakelijk omdat in veel gedichten een concreet kernthema ontbreekt. Inhoudelijk zijn de gedichten vaag. Verwijswoorden wijzen nergens naar, hebben geen antecent of wijzen eventueel naar zichzelf. De eerste twee strofen van ‘Als ik je zie’ zetten mij niet op het goede leesspoor, zelfs niet op een dwaalspoor, ze laten me bungelen. Elk spoor ontbreekt:

Wat zegt iemand die bekentenispoëzie schrijft?
Als ik je lees, verlies ik mezelf meteen.
Als ik je zie, verlies ik mezelf meteen.
Soms trekt het me op,
maar dat ben ik zelf niet.

Waarom wil je dat ik zwijg?
Het geheel zit vol gesloten deuren.
Handelingen voltrekken zich.
Wanneer ik zwijg, zeg ik niet
dat ik lieg
of andere ijzeren formuleringen.

Beide strofen beginnen met een concrete vraag. Vragen die voor de dichter van belang kunnen zijn om daar een antwoord op te krijgen. Maar in de eerste strofe komt geen helder antwoord op de beginvraag en in de tweede strofe wordt op de vraag geen duidelijke reden gegeven waarom de ‘je’ wil dat de ‘ik’ zwijgt.

Door in een aantal gedichten te spreken van ‘schreef de dichter’ en ‘zegt de dichter’ creëert de dichter een afstand tussen de ‘ik’ in het gedicht, het gedicht zelf en de lezer. Het levert een vorm van zakelijk neergeschreven poëzie op, die bij vlagen uiterst kil overkomt. Het kostte me veel moeite de bundel geconcentreerd uit te lezen. Uiteindelijk heeft mijn nieuwsgierigheid naar het lezen van elk volgende gedicht het soms moeten opgeven, maar ik zou zeggen: wie het eens proberen wil, die moet deze bundel zeker lezen. Ik ontken niet dat Gert de Jager een interessante dichter is, die op geheel eigen wijze met poëzie aan de gang is. Poëzie die vooral filosofisch van aard is. Het gedicht ‘Krakend en piepend glorieus’ sluit af met de versregels: ‘Wie ben ik dan nog?’ / ‘Waar ben jij dan nog?’ Dat zijn vragen, waarop ik vooralsnog geen antwoord heb.

____

Gert de Jager (2019). Schitterende, labiele knooppunten. Gaia Chapbooks, 40 blz. € 4,01. ISBN 9780807900

     Andere berichten