Poëzie in de klas

door Hans Franse

Poëzie is mij met de paplepel ingegeven. Mijn vader, die in het Interbellum in Vlaanderen werkte (ikzelf ben van 1940) kon met tranen in zijn ogen Guido Gezelle voorlezen. Hij zong graag en veel, ook de liederen die de Vlaamse bard Emiel Hullebroeck met teksten van sociaal bewogen dichters als Lambrecht Lambrechts en Alfred Rodenbach (Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!) ontroerden hem hevig. Hij leerde ze mij, ik ken ze nog.
Ook mijn moeder kende hele stukken gedicht van buiten. Ze had ze op de lagere school uit haar hoofd moeten leren. Er waren stukken Vondel bij (Constantijntje, Cherubijntje, uitgesproken als Sjerubijntje) maar vooral Tollens was haar favoriet. Met veel bravoure declameerde ze dan:

‘Waar Maas en Waal tezamen stroomt
en Gorcum rijst van ver
daar heft zich op de linkerzoom
en spiegelt in de brede stroom
een slot van eeuwen her.
’t Is Loevesteijn, ’t is Loevesteijn….’.

Ook dat ken ik nog, maar niet verder dan deze regels.

 

Moderne poëzie kwam niet in ons huis binnen, mijn vader kende die eenvoudig niet. Bovendien stierf hij al in 1953, ik was dertien jaar, dus het fenomeen ‘Vijftigers’ ging aan hem voorbij, even als Paul van Ostaijen hem voorbij was gegaan.
Hij werkte bij de ‘Vereniging ter bevordering van de belangen des boekhandels’ en kreeg elk jaar het boekenweekgeschenk mee naar huis plus de toenmalige  gedichtenbundels voor de jeugd, die elk jaar werden uitgegeven, prachtig verzorgde, meesterlijk geïllustreerde en getypografeerde boeken onder de titel ‘De muze en….’. Voor bijna geen geld kreeg je deze poëziebundel in huis. De eerste die ik onder ogen kreeg was ‘De muze en het ambacht’ die ik verslond (vooral een gedicht van Jacques Perk ‘De Scheper’)  Van de andere bundels noem ik: ‘De muze en de dieren’, ‘De muze op zee’, ‘De speelse Muze’, ‘Twee muzen (over muziek)’, ‘De muze zwerft door Nederland’, ‘De muze in Europa’ en ‘De muze op school’. Voor de rest zou ik in mijn boekenkast moeten kijken. Helaas worden deze bundels niet meer uitgegeven, jammer, het heeft mijn liefde voor en kennis van de poëzie versterkt en het waren goedkope stukjes pure schoonheid, zowel qua inhoud als vorm.

 

Toen ik op de middelbare school kwam las de leraar Nederlands veel voor. Pater van Hees, die wij ‘het Paard’ noemden las de Camera Obscura voor en de Naumachie van Couperus, schitterend. Ook moesten wij gedichten uit het hoofd leren en voor de klas declameren. Later kwam ik op een ander instituut, waar we spreekbeurten deden en gedichten voor de klas declameerden die we daarna gezamenlijk becommentarieerden en in discussie een cijfer vaststelden voor de ‘performance’. Op die school was ook een declamatieclub en een theaterclub, waar we door improvisatie een stuk maakten.

 

Je hoorde dus veel poëzie in de klas. Je hoorde ook veel hetzelfde. Men koos een gedicht uit dat men mooi vond of leuk (Annie Schmidt was, helaas, nog niet populair). Ik kreeg geleidelijk  een sik van ‘Het geitenweitje’ van Jacqueline van der Waals (In het geitenweitje/staat het kleine geitje/ naast de grote geit/, geiteke wat moet je,/ met je fijne snoetje…) of liedjes van Manna de Wijs-Mouton ( In de donkere straat/ waar het belletje gaat…),’ De laatste brief’ van Bertus Aafjes of ‘De Moeder’ van Geerten Gossaert. Een gedicht van Han G. Hoekstra ‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant…’beklijfde goed. Om die sleur van al die lieve gedichten te doorbreken heb ik een gedicht van Lucebert uit mijn hoofd geleerd ‘Romance’ , gevonden in ‘De twee muzen’( ‘De mist was warm neuriënd zand/oude muziekmensen liepen/ langs nieuwe harpen/langzaam…’) ,het was controversieel, niemand begreep het, maar  het werkklimaat in de klas was zodanig dat je bereid was te luisteren en erover te spreken: ik kreeg toch een hoog cijfer.
Ik hoorde die brave gedichten later nog vele malen als bijzit bij de MULO-examens, waar de kandidaten tijdens het eindexamen een gedicht moesten opzeggen uit hun hoofd, dat vervolgens onderwerp van gesprek werd. Ik ken ze nog van buiten.

 

Toen ik leraar Nederlands was kwam literatuur en poëzie gedurende mijn lessen veel ter sprake. Als ik geen zin in ontleden of dictee had lazen we poëzie. ‘Heks Heks’ van Jan Elburg, ‘De idioot in het bad’ van M. Vasalis, of gedichten van Nijhoff en Slauerhoff. Ook Ed Hoornik deed het goed. We hadden bloemlezingen, ik stencilde gedichten, mijn leerlingen brachten gedichten in. Van buiten leren en opzeggen deden we ook. Ik probeerde het zelf dichten te stimuleren, wat bij de meisjes beter lukte dan bij de jongens. Tot ik eens een plaat draaide met muziek van Krisztof Penderecky die ‘Klaagzang voor de slachtoffers van Hirosjima ’heette, schrille, dreigende, verdrietige muziek. De opdracht luidde: Schrijf op wat in je opkomt, wat je voelt bij deze muziek’. Het resultaat was verrassend: de jongens waren boven zichzelf uitgestegen. Ik heb er toen een artikeltje over geschreven in een tijdschrift, dat ‘Jeugd in school en wereld’ heette.

Nee, ik ben niet lang leraar geweest. Er kwamen veranderingen. Ik werd een lesboer met leerdoelen en rapportages: gewoon lekker samen lezen, voorlezen, poëzie beluisteren en schrijven, nee, dat was niet meer aan de orde. In het onderwijs hebben de zachte krachten het verloren en lijken leerlingen niet meer geïnspireerd te worden om zich te verdiepen in de moedertaal.

 

afbeeldingen Hans Franse

 

 

Geplaatst in Column.