T.S. Eliot – Gedichten 1917 – 1930

Voegt biografische kennis bij Eliot iets toe?

door Hans Puper



De tweetalige uitgave van Gedichten 1917 – 1930 van T.S. Eliot is vertaald door Paul Claes; de gedichtencyclus The Waste Land is niet opgenomen, want die kreeg in 2007 een afzonderlijke uitgave.
Het boek kent drie afdelingen, respectievelijk met de bundels Prufrock and Other Observations (1917), Poems 1920 (waarin vier in het Frans geschreven gedichten) en als derde afdeling The Hollow Men (1925), Ash-Wednesday (1930) en vier gedichten uit de reeks Ariel Poems (gepubliceerd in de periode 1927 – 1930). Iedere afdeling kreeg een eigen inleiding, er is een voorwoord en de bundel eindigt met 36 bladzijden aantekeningen, die voor het merendeel heel verhelderend zijn.

Claes legt in zijn inleidingen nadruk op het verborgen biografische van de gedichten, iets wat altijd werd (en waarschijnlijk nog wordt) afgewezen door critici die een strikte scheidslijn trekken tussen leven en werk. Zij zouden zich volgens Claes teveel richten op de poëtica van Eliot zelf, die pleitte voor het onpersoonlijke, het universele in de poëzie. Dichters zijn geen romantische eilandjes van uniciteit, ze zijn ingebed in de traditie. Eliot legt die verbinding onder andere door intertekstualiteit: zijn poëzie bevat talloze allusies en citaten. Mooi in dit verband is Claes’ citaat over verwijzingen uit The Sacred Wood (1920): ‘Onrijpe dichters imiteren, rijpe dichters stelen, slechte dichters verminken wat ze overnemen en goede dichters maken het tot iets beters of althans iets anders’. (p. 16).
Eliot moest niets hebben van biografische publicaties. Belangrijk bronmateriaal, brieven, dagboeken en aantekeningen wilde hij niet gepubliceerd hebben, want hij wilde uitsluitend voortleven in zijn werk. Helaas voor hem liggen meer dan vijftig jaar na zijn dood in 1965 de 1131 brieven aan Emily Hale op de universiteit van Princeton ter inzage. Zij was ‘zijn vertrouweling en muze’ aldus Pia de Jong in de NRC van 13 januari jl. Die briefwisseling, die duurde van 1930 tot 1957, mag pas in 2035 worden gepubliceerd. Maar ondanks zijn weerzin tegen de aandacht voor zijn persoonlijk leven, ontkende Eliot niet dat persoonlijke omstandigheden een rol kunnen spelen bij het maken van gedichten. Hij lijkt het tegendeel te beweren in de talloze malen en ook door Claes geciteerde zin uit zijn vermaarde essay Tradition and the Individual Talent: ‘Poëzie is niet het loslaten van gevoelens [‘emoties’ is beter; zie het eind van deze alinea], maar een ontsnappen aan gevoelens; zij is niet de uitdrukking van een persoonlijkheid, maar een ontsnappen aan de persoonlijkheid’. (p. 11). Claes noemt dit een afleidingsmanoeuvre. Ten onrechte, want direct na die veelgeciteerde zin volgt een nuancering: ‘Maar vanzelfsprekend kunnen alleen degenen die persoonlijkheid en emoties bezitten, weten wat het betekent aan deze zaken te willen ontsnappen.’ (J. Kuin (1988). Traditie en persoonlijkheid, p. 95). In dat licht kun je ook de uitspraak zien dat zijn vrouw ‘de dichter in leven [hield]’ (Pia de Jong, NRC). Met Vivienne Haigh-Wood had Eliot een uitzichtloos, wanhopig makend huwelijk; de behoefte te ontsnappen aan de emoties die dat opwekt, ligt voor de hand. Die ‘emotions’ gebruikte hij als materiaal voor gedichten. Na omvorming ten behoeve van het gedicht noemde hij ze ‘feelings’.

Claes gaat  met zijn biografisme te ver, hij doet Eliot’s poëtica tekort door te psychologiseren: ‘Het is geen toeval dat Eliot de leer van de onpersoonlijkheid predikte. Ezra Pound gaf zijn vriend de naam ‘possum’, omdat hij zijn gevoelens niet liet blijken: een opossum of buidelrat is een dier dat zich bij gevaar dood houdt. Ook in zijn gedichten is Eliot bijzonder terughoudend met intieme confidenties.’ (p. 74/75). Deze invalshoek leidt tot vaststellingen als de volgende: ‘In ‘Gerontion’ zet de dichter het masker van een ouder personage op. In ‘A Cooking Egg’ denkt hij aan een jeugdvriendinnetje dat hij de verhullende naam Pipit geeft.’ (p. 75).
Over het ontstaan van The Hollow Men schrijft Claes op p. 128: ‘Eliot schrijft het gedicht als hij vanwege een zenuwinzinking verlof krijgt van de bank. Het gedicht, dat vaak wordt gelezen als een sociale kritiek op de geestelijke leegte van de moderne mens, is ontstaan uit de wanhoop van de dichter. Na het stuklopen van zijn relatie verwijt hij zichzelf zijn gebrek aan daadkracht in een zinloos lijkende wereld. De enige hoop lijkt die van een vrouwenblik die wenkt als een verre ster.’ Zou hij positiever over de geestelijke staat van de moderne mens hebben gedacht als hij een gelukkig huwelijk had gehad? Als je dat denkt, maak je hem wel erg klein. Claes heeft dit gedicht overigens prachtig vertaald. Het is te lang om te citeren; lees het zelf, zou ik zeggen.

Eliot wordt vaak als zeer moeilijk ervaren; vergeten wordt weleens dat hij ook heel eenvoudige gedichten schreef, zoals ‘Aunt Helen’ (p. 58), dat je zou kunnen typeren met het spreekwoord: ‘Als de kat van huis is, dansen de muizen’.

AUNT HELEN

Miss Helen Slingsby was my maiden aunt,
And lived in a small house near a fashionable square
Cared for by servants to the number of four.
Now when she died there was silence in heaven
And silence at her end of the street.
The shutters were drawn and the undertaker wiped his feet –
He was aware that this sort of thing had occurred before.
The dogs were handsomely provided for,
But shortly afterwards the parrot died too.
The Dresden clock continued ticking on the mantelpiece,
And the footman sat upon the dining-table
Holding the second housemaid on his knees –
Who had always been so careful while her mistress lived.


TANTE HELEN

Mijn tante Helen Slingsby is nooit getrouwd.
Ze woonde in een klein huis bij een chic plein
Onder de hoede van een viertal knechten.
Toen zij stierf, werd het stil in de hemel
En stil aan haar eind van de straat.
De blinden gingen dicht en de lijkbezorger veegde zijn voeten –
Hij had zoiets al eerder meegemaakt.
Er werd naar behoren gezorgd voor de honden,
Maar kort daarop stierf ook de papegaai.
De Saksische klok op de schouw tikte door
En de huisknecht zat op de eettafel
Met op zijn knieën de tweede dienstmeid –
Die zo oppassend was geweest toen haar meesteres nog leefde.

Claes blijft vrij dicht bij de oorspronkelijke tekst; als hij kiest voor een wat vrije vertaling is dat begrijpelijk. Het letterlijke ‘Mevrouw Helen Slingsby was mijn ongetrouwde tante’ is stroever dan ‘Mijn tante Helen Slingsby is nooit getrouwd’ en de inhoud blijft ongewijzigd. Een enkele keer is zijn vertaling minder mooi: ‘Now that lilacs are in bloom / She has a bowl of lilacs in her room’ wordt ‘Nu buiten de seringen bloeien gaan / Heeft zij in haar kamer een vaas seringen staan.’ (‘Portrait of a Lady’, p. 34/35). Hier bespeur ik enige rijmdwang. Slordig is hij soms ook: in het prachtige ‘Rhapsody on a Windy Night’ (p. 48 – 53) vertaalt hij ‘Half-past one’ met ‘Half één’.

Schokkend vond ik het gedicht ‘Burbank with a Baedeker; Bleistein with a Cigar’ (Poems 1920, p. 87/88), een pastiche op de romans van Henri James, aldus Claes. Burbank is kunstminnaar, Bleistein een Joodse kapitalist. Antisemitische  stereotypen waren in Eliot’s tijd helaas gemeengoed, maar in het gedicht gaat hij ver over alle grenzen heen, ook over die van destijds. Kun je Eliot nu van racisme beschuldigen? In formeel-literaire zin niet: het is immers een pastiche en in de betrokken passages zijn respectievelijk een verteller en een personage aan het woord. Bovendien kent het gedicht een sterke intertekstualiteit: het zit vol met allusies, die Claes in 32 aantekeningen verklaart. Vergelijk hiermee het proces tegen W.F. Hermans in 1952 wegens smaad: in de voorpublicatie van de roman Ik heb altijd gelijk stond de woedende tirade van de hoofdpersoon Lodewijk Stegman over het katholieke volksdeel van ons land. Hermans werd vrijgesproken, omdat je een auteur niet gelijk mag stellen aan een romanpersoon. Maar zou Eliot vrij zijn geweest van antisemitisme? Ik kan me dat niet voorstellen bij iemand die zulke passages schrijft.

Het is een mooie uitgave. Helaas komen er veel slordigheden in voor, sommige onschuldig, andere tamelijk irritant. Een paar voorbeelden, alle uit The Hollow Men. In de Engelse tekst lezen we: ‘Let me be nearer / In death’s dream kingdom’ (p. 136). Dat moet zijn: ‘Let me be no nearer’; nogal een verschil. Claes heeft waarschijnlijk een andere tekst gebruikt, want zijn vertaling is wel goed: ‘Laat mij niet dichter komen / In het dromenrijk van de dood’ (p. 137). Maar, zoals gezegd, hijzelf is soms ook slordig. In de aantekeningen vermeldt hij dat de cyclus The Hollow Men vier onderdelen heeft, maar het zijn er vijf. Vervelender is, dat er twee regeltellingen worden gebruikt. In The Hollow Men zelf per onderdeel van het gedicht, het langste telt 31 woorden. Die telling wordt in de aantekeningen weliswaar gevolgd, maar in verwijzingen binnen die aantekeningen niet en dat is voor de lezer verwarrend. Een voorbeeld: de eerste regel van het tweede gedicht wordt vergeleken met regel 37 en 38. Dat zijn de regels 18 en 19 van hetzelfde gedicht.

Gedichten 1917-1930 is een mooie, gedegen uitgave, die inzicht geeft in de ontwikkeling van Eliot’s dichterschap. Het is goed dat er is gekozen voor tweetaligheid: het zou zonde zijn Eliot niet in de oorspronkelijke talen te lezen en het is boeiend om te zien welke keuzes Claes in zijn vertalingen heeft gemaakt. Dat zijn inleidingen aanleiding geven na te denken over het mogelijke belang van biografische elementen in zijn werk – vooralsnog denk ik van niet – is een welkom extraatje.

____

T.S. Eliot (2019). Gedichten 1917 – 1930. Vertaling en commentaar Paul Claes. Koppernik, 223 blz. € 34,50. ISBN 9789492313812

 

 

Geplaatst in Recensies.