Esmé van den Boom – Eigen kamers

Droom van een vrouw

door Inge Bak



De titel Eigen kamers, van de debuutbundel van dichter Esmé van den Boom (1993), is ontleend aan het essay: A Room of One’s Own (1929) van Virginia Woolf. Hierin wordt gesteld dat de slagingskans van vrouwen om tot ontplooiing te komen nauw samenhangt met -letterlijk en figuurlijk- er de ruimte voor krijgen. In een interview vertelt Van den Boom dat zij er lange tijd van overtuigd was geen kinderwens te hebben en dat daar in haar omgeving vaak verbaasd op werd gereageerd. Die verbazing lijkt in te houden dat iedere vrouw van nature naar kinderen zou behoren te verlangen. Toen Esmé op die rationele beslissing van geen kinderen willen terugkwam, vroeg zij zich af: ‘hoe en of dat bij andere vrouwen speelt.’ Ze trok die vraag breder door ‒ wat wil de vrouw? ‒ en interviewde tientallen vrouwen over hun wensen, angsten en toekomstdromen. In 2018 won zij het Hendrik de Vriesstipendium voor literatuur ‒ een Groningse aanmoedigingsprijs voor jong talent ‒ en naast een geldprijs hoort hier ook een uitgave van een boek bij. In haar debuutbundel wordt aan de inhoud van die gesprekken op indringende wijze gestalte gegeven in gedichten. Het zijn stuk voor stuk inkijkjes in de hoofden en levens van verschillende vrouwen. De dichter laat je heel dichtbij komen. Je wordt haast de persoon waarover je leest. Dat maakt het tot een intieme en waarachtige bundel. De eerlijkheid waarmee de ervaringen zijn vormgegeven, windt er geen doekjes om, deelt steken uit of geeft een zucht van verlichting vanwege de herkenning ‒ je staat er niet alleen in.

De taal laat zich in alle toonaarden zien met zeer tot de verbeelding sprekende zinnen, die je in een aantal gevallen als surrealistisch zou kunnen typeren. Zo wordt in het slotgedicht ‘Sabbat’ wraak genomen op een schoonheidsspecialiste: ‘We zuigen de talg uit iedere porie, rekken de huid op tot we er de tafel mee / kunnen dekken.’ Komt dat voort uit het idee dat een schoonheidsspecialiste symbool staat voor een opgelegde schoonheidsnorm waar veel vrouwen nooit aan kunnen voldoen? Het beeld van een opgerekte huid als tafelkleed is luguber en spitsvondig tegelijk. Een tafelkleed is vanaf nu nooit meer hetzelfde.

De bundel is opgedeeld in vier afdelingen: ‘De scheefte’, ‘Weer oorlog’, ‘Sluitertijd’ en ‘Sabbat.’ In ‘De scheefte’ ervaar ik de balans die zoek is tussen de eigen wil en de opgelegde verplichtingen. Het op eieren lopen om alles goed te houden: ‘De man past. Het zou dit keer kunnen lukken / mijn tijgers houd ik in hun hokken.’ De afdeling ‘Weer oorlog’ toont het innerlijke gevecht aan in relatie tot verwachtingen die de omgeving stelt. De strijd met het lichaamsgewicht, het omgaan met ongewenste kinderloosheid en de janboel die een scheiding nalaat. ‘Sluitertijd’ behelst het lange wachten. Het wachten op kinderen, op een geliefde en op de terugkomst van jezelf naar wie je ooit was. Op ‘Sabbat’ associeer ik van de rustdag door naar de berusting dat het in het leven gaat zoals het gaat. Dat het misschien niet erg is als niet al je dromen uitkomen. De tekst op de achterflap heeft het over ‘een brandstapel van vergeten dromen.’ Mij doet het denken ‒ zoals de vrouwen in anarchie losgaan ‒ aan nog een laatste keer onverantwoordelijk mogen zijn, voor even terugkeren naar de tienertijd die toch echt over is: ‘We stoken een vuur, vlechten bladerkransen voor de boortoren, klauwen onze / bh’s stuk, ontbloten onze ribben, uitgestrekte balletbenen in een warm / oranje.’ Voor alles wat ze van die bevrijding afhoudt, houden ze zich doof: ‘Wij hebben was in onze oren, het kind kan janken wat het wil, we zullen de / teentjes tellen en ze één voor één afknabbelen, we spinnen de zenuwen tot / het dunste rag.’

De afdelingen lopen organisch in elkaar over, alsof je door verschillende levensfasen heen gaat. Bijna laat het zich lezen als een psychologische novelle. Je wilt weten of het aan het einde nog goed komt met al die vrouwen. Ondanks de indeling, nummering van een aantal gedichten en witruimte onderaan, was het voor mij op een paar pagina’s niet helder waar een gedicht eindigde of begon. Bij de inhoudsopgave achterin de bundel kun je dat uiteraard achterhalen ‒ eerste dichtregel is de titel ‒ maar liever zou ik dat overzicht tijdens het lezen hebben. Aan de andere kant kan ik die kanttekening ook ontkrachten want het zorgt er wel voor dat de bundel leest als een totaalbeleving ‒ een enerverende stormloop waaraan ik mij kon overgeven.

In ‘Weer oorlog’ legt Van den Boom de strijd van het ‘moeten lijnen’ bloot. Van wie moet dat? Van de omgeving? Een partner? Of moet de vrouw het van zichzelf? In ieder geval zorgt het ervoor dat, zolang het door haar gewenste gewicht uit zicht blijft, zij niet van zichzelf lijkt te mogen houden ‒ haar huid wordt zelfs het zonlicht niet gegund. Hoeveel invloed die druk op het gemoed heeft wordt pijnlijk duidelijk:

De mouwen van de truien die je droeg
in de lente om je lichaam geen zonlicht te gunnen.

Nu is het zomer en de honger je metgezel.
Jullie hebben elkaar beter leren kennen en soms
kleeft er suiker in de hoek van zijn waarschuwing:

Van wat er verloren kan gaan
en dat het makkelijker aan de muren
ontsnappen is dan aan je eigen tong.

Weet je nog dat je vroeger zong?
Dat er vrienden waren, een vrouw bij
de bakkerskraam die je een koekje gaf
dat je vingers van toen om je enkels
van nu zouden passen.

Je geest is groter dan de kuil in je matras.
Zo borduurt angst een ultimatum in je sloop
je eet een halve appel, oogst hoop.

In haar dankwoord en verantwoording zegt de dichter: ‘jullie herkennen jezelf misschien niet, maar jullie zijn er, allemaal.’ Van den Boom is zich bewust van haar eigen taal die ze aan de verhalen van anderen heeft gegeven. Maar in betekenis blijft ze hen trouw. Haar woorden maken dat het geen opgetekende ervaringen zijn, maar veel meer dan dat. Een enkele keer wordt er veel gezegd in kaal geschraapte taal zoals in ‘Sabbat VIII’:

Jij zegt: je hoeft niet te blijven,

er is ruimte.

Ik zeg niets. Er is nog te veel
om uit te vertrekken.

Vaker wordt er heel beeldend geschreven. In ‘Sluitertijd’ kiest de dichter voor het beeld van een heremietkreeft om je te kunnen verplaatsen in wat ongewenste kinderloosheid met iemand doet: ‘Het wachten ken ik / iedere maand ‒ draait mijn ruggengraat zich tot / gesloten schelp, mijn heremietkreeftpoten knikken / langs mijn kop omhoog. / Het is een maand te veel, te / voorbij om nog gelukkig in te zijn.’ Het gedicht eindigt even sterk. In de beschrijving van de verhuizende kreeftjes herken je moeiteloos het menselijk gemis van de achterblijver die niet ‒ zoals de groeiende gezinnen ‒ meer woonruimte nodig heeft: ‘Verderop verhuizen andere kreeftjes / in cirkels naar steeds grotere huizen.’

Op de eerste bladzijde is Esmé paginagroot geportretteerd. Ze kijkt de lezer onderzoekend aan. Durf je? Lees ik eraan af. Durf je mee te gaan in wat er in mijn hoofd en in dat van anderen leeft? En heb je het lef om jezelf daarin te spiegelen? Ik durfde het en heb daar geen spijt van. Na het lezen wil ik weten of ik ben geworden wat ik ooit voor ogen had.

In de ondertoon van Eigen kamers ‘hoor’ ik dat, ondanks al de mogelijkheden die de hedendaagse vrouw vandaag de dag heeft, zij nog steeds gebukt gaat onder wat haar eeuwenlang is ingeprent over hoe een vrouw behoort te zijn. Wat dat betreft is er nog werk aan de winkel. Esmé van den Boom heeft met dit vlammende debuut in ieder geval een goed voorbeeld gegeven van waar het nemen van eigen schrijfruimte toe kan leiden.

____

Esmé van den Boom (2019). Eigen kamers. Uitgeverij Passage, 64 blz. €14,50. ISBN 9789054523796

Geplaatst in Recensies.