“het is handig dat ik een bepaalde afwijking heb”

Alja Spaan (Sint Pancras, 1957), schrijft vanaf haar elfde dagelijks (zowel proza als poëzie), was van alles maar vooral creatief. Haar huis in Alkmaar werd Atelier9en40 waarin ze tot 2013 kunst- en poëzieprojecten deed. Haar laatste bundel verscheen oktober 2018 onder de titel Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid (IndeKnipscheer).
Sinds ze coördinator werd bij Meander hangt er een whiteboard in haar werkkamer waarop gelukkig ook andere hoofdletters dan de M voorkomen. Overigens is alles uitstel voor het echte schrijven.

Ze reisde af naar Yvonne Broekmans en had een gesprek met haar aan de keukentafel.


foto Wouter van der Hoeven

 

Hoe ben je bij Meander terechtgekomen?
In 2015 reageerde ik op een oproep in Meander. Rob de Vos nam contact met me op en al snel vertrouwde hij me allerlei werkzaamheden toe, ondanks het feit dat hij veel moeite had met delegeren. Er ontstond een intensieve band. Van interviewer en redactielid werd ik voorzitter in 2017 maar dat stelde echt niets voor, zei Rob.

Rob had er een neus voor om de juiste mensen op de juiste plaats te kiezen. Niet lang daarna bleek dat cruciaal voor het voortbestaan van Meander.
Ja, mijn administratieve achtergrond was welkom. Na het plotselinge overlijden van Rob in 2018 lag er een immense klus. Het was een ware uitdaging om alle losse puzzelstukjes te vinden en in elkaar te zetten. We hadden een nieuwe opzet nodig, een nieuw bestuur, webmaster, medewerkers…

Wat vind je plezierig aan deze klus?
Misschien wil ik gewoon iets kunnen betekenen voor anderen, een beetje invloed hebben. Zo vind ik het geweldig om dingen te faciliteren, een podium te bieden en mensen voor het voetlicht te halen. Het is een goed gevoel om een mooi product te leveren. En het is handig dat ik een bepaalde afwijking heb, ik ben erg systematisch, werk graag uit voorraad en met een vast publicatieschema, kan veel dingen combineren in een strak ritme en voel me vrij.

Wat heb je met poëzie, met taal?
Ik zie geen splitsing tussen taal en poëzie. Vanaf mijn elfde schrijf ik dagelijks. Dan wordt het vanzelfsprekend, een automatisme bijna, om je gedachten te vertalen in woorden.
Vanaf 8 april 2006 zet ik iedere dag een gedicht op mijn blog. Ik ben een ochtendmens; even na zevenen staat het erop.

Poëzie is dus een belangrijk onderdeel van je leven?
Literatuur, en kunst in het algemeen, zie ik als troost in het leven. Een van de leukste dingen die ik doe is het voorleesproject, ontstaan vanuit Reuring. Niets relativerender dan het delen van herinneringen naar aanleiding van mijn voorlezen tussen een groep ouderen; de jongste 72, de oudste 99 jaar. Het is na tweeëneenhalf jaar een hechte vriendengroep geworden.
Omdat ik altijd in Alkmaar heb gewoond, weten mensen mij gemakkelijk te vinden; door het organiseren heb ik een groot netwerk in de poëziewereld en Meander maakt dat nog wijder.

 

Drie eigen gedichten


Hij staat in de keuken van mijn ouderlijk huis en roert in een
pan en houdt me tegen als ik door de bijkeuken

naar buiten wil, er staat een glanzende sportauto in de garage
en mijn fiets wacht ernaast, het regent, op

het erf een kleine tractor en zijn auto. Hij duwt me licht terug
en zegt dat ik eerst moet eten, ik moet voor

mezelf zorgen, met een lepel duwt hij mijn mond open en voert
me. Hij staat zo dichtbij dat ik alles van hem zie.

Ik voel zijn lijf door de broek heen, door alle tussenliggende jaren
en voel hoe ik langzaam begin te huilen, niet

daar aan mijn moeders plaats in de keuken maar in mijn bed. Het
is nacht nog en ik wil niet weg. Het laatste

dat ik zie is een heel klein meisje dat tegen een dode leunt en
vergeefs probeert hem warm te houden.


(het dode loof, 7 februari 2020)

Dit keer had ik de voor- en achterdeur opengelaten en de koude,
zwarte nacht sloop zomaar binnen. Eerst

ging ik op zoek naar dieven, die zouden er natuurlijk zijn, ik begon
in de hal, de huiskamer daarna, de gang,

stond vervolgens in de keuken, de bijkeuken, sloot de laatste deur
en liep weer terug naar de eerste en vond

mijn mamma tussen de kleding in de kelderkast, naast strijkplank
en stofzuiger, alsof ze bezig was haar jurken

of de mijne op kleur te schikken, de was net gedaan of het wintergoed
naar zolder gebracht en nu alvast

de zomer vierend. Ze was vrolijk vandaag en we waren helemaal
niet verbaasd elkaar te zien, we waren gewoon

even oud, ik hielp haar, onze zilveren haren het enige licht, en ik
duwde zachtjes tegen haar aan waarna ze oploste in het nog

wee geurende goed.


(omgekeerd is het steeds eerder warm, 25 januari 2020)

Of hij me nog een keer kon zien, stond er in de mail. Ik wilde
een grapje maken over zijn kerstsentimenten maar

zei nee. Maar hij was ziek, zei hij, en hij moest weten of ik toen
de waarheid sprak. Goed, zei ik en ik zag

hoe hij moeizaam de trappen nam en in mijn enige luie stoel zat
om bij te komen van de reis. Ik maakte een

punt van een theedoek nat en legde die op zijn bezweet voorhoofd
en ik liet hem water drinken. Ik trok zijn schoenen

uit en tilde zijn voeten op het tafeltje voor hem, zat op de leuning
en keek, hij had zijn ogen dicht. Natuurlijk

was het waar, zei ik toen. Ik zette eten op tafel maar hij had geen
trek. Hij deed zijn ogen open, liep naar me toe,

pakte mijn pols en draaide eraan. Hij had het nooit geloofd, dat
wist ik. Ik vroeg niet wat hem mankeerde.


(het lege bord, december 2019)
Geplaatst in Interviews.