Het peloton der dichters

door Jan Loogman

In Intimiteit onder de melkweg nam Herman de Coninck Een pleidooi voor tweederangsdichters op. Hij noemt hen vakkundige dichters van wie de gedichten kwalitatief ‘een heel behoorlijk gemiddelde’ hebben, maar bij wie hoogtepunten ontbreken. ‘Ze zijn onmisbaar in het totaalbeeld van de Nederlandse poëzie,’ vervolgt De Coninck ‘zoals je in een Ronde van Frankrijk nu eenmaal ook een tweede en een derde en een vierde nodig hebt, elk jaar.’

Als ik me het wielerpeloton voor de geest haal, zie ik naast de kopmannen en de meesterknechten ook de waterdragers fietsen. Ook realiseer ik me dat tijdens de Tour de France allerlei andere wielerwedstrijden worden verreden, waaraan de mindere goden meedoen, renners die niet zijn uitverkoren voor de grote Ronde. Ik herinner me hoe ik ooit in het Olympisch Stadion de wekelijkse populaires bezocht waarin de eerste wedstrijd altijd bestond uit de afvalrace. Een grote groep begon en elke tweede ronde viel de renner af die als laatste de meet passeerde. Meteen na het startschot demarreerde elke week de in het wit gestoken Bertels. Hij maakte zich los uit de traag op gang komende groep, hij reed als een kampioen voorop, lag bij de eerste passage van de eindstreep in gewonnen positie, maar daar kwam de groep op gang, de krachten van Bertels waren verbruikt, de voorsten van het peloton reden hem voorbij, als een wanhopige liet hij de pedalen draaien, maar tevergeefs. Op het moment dat de streep voor de tweede maal werd gepasseerd, het eerste beslissende moment van afvallen, was hij de laatste, de groep was al uit het zicht verdwenen. Als toeschouwers applaudisseerden wij voor Bertels, van wie we nu zagen dat hij te dik was, hij had een bierbuik. ‘In het café blijft hij als laatste over’ werd er gezegd. We lachten, zoals we ook de week erna zouden lachen om deze kruk die als renner niets kon presteren. Toch had hij een plek in de groep. Was hij er niet geweest, dan zou een ander de rol van groepsvulling hebben vervuld en wie weet met minder verve.

Geloven we in de vergelijking van het peloton der dichters met de groep wielrenners, dan zijn niet alleen tweederangsdichters nodig, maar ook derderangs, vierderangs en zo tot in het oneindige. Gerrit Komrij schreef in 2001: ‘Er is meer slechte dan goeie poëzie in de wereld.’ Hij noemt een aantal kenmerken. Slechte poëzie is bombastisch, gaat over maatschappelijk onrecht waardoor de dichter zich kan ‘zonnen in de gunst van een tijdelijk van z’n kritisch vermogen verlamd publiek.’ Slechte gedichten zijn, dat is volgens Komrij de derde eigenschap, belerend. Niet bedoelde humor is het volgende kenmerk. Epigonisme, het nadoen van (slecht begrepen) voorbeelden hoort er ook bij. Enzovoorts en zo verder. ‘De nutteloze poëziesoldaten’ noemt Komrij de slechte dichters. Interessant is dat ook Herman de Coninck, in een ander stuk, dichters vergelijkt met soldaten. In De flaptekstlezer citeert hij drie gedichten van zogenaamde zondagsdichters, die indruk op hem maken. Hij concludeert: ‘Soms hebben onbekende dichters iets gemeen met onbekende soldaten: die zijn meestal ook beter dan bekende officieren.’

Natuurlijk, het kan zijn dat Komrij zou vinden dat de drie voorbeelden die De Coninck aanhaalde, niet geschreven zijn door ‘nutteloze poëziesoldaten’, dat ook hij zou oordelen dat zij puike poëzie zijn, niet bombastisch, niet belerend, niet om mee te lachen. Waar het mij nu om gaat, is dat in de enorme productie van poëzie goede en slechte gedichten naast elkaar voorkomen. Volgens De Coninck is het noodzakelijk, het lijkt hoe dan ook onontkoombaar: om af en toe iets goeds te produceren moet elke dichter doorwerken en afhankelijk van zijn of haar kritisch vermogen worden de mindere produkten aan het einde van het proces uitgezeefd. De minder zelfkritische dichter hanteert een vergiet in plaats van een zeef en misschien zelfs die niet. ‘Gelukkig zijn Slechte Gedichten allesbehalve zinloos’ schrijft Ellen Deckwitz in 2015 in haar NRC-cursus over poëzie lezen. ‘Je gaat niet-slechte gedichten erdoor waarderen. Bovendien kan mismaakte poëzie, net zoals lelijke baby’s dat kunnen, je enorm vrolijk maken.’ Als voorbeeld noemt zij de regel ‘ik voel mijn binnenste branden’ die voorkwam in een zogeheten liefdesgedicht.

Dat slechte dichters ook publiceren en gelezen worden, kan dan ook prima gevonden worden. De lezer zou van de weeromstuit waardering krijgen voor de betere poëzie. Maar is dat zo? Gaat de betere dichter niet ten onder in het peloton van slechte dichters? Dreigt niet alleen een geoefende lezer blaren van het lachen te krijgen bij de regel ‘ik voel mijn binnenste branden’? Wie weet is dat zo en is zelfs dat niet erg. Zolang de betere dichter, de betere poëzie maar bestaat. Soms wens ik niettemin dat er een commissie bestaat die in elk geval voor in de publiciteit tredende dichters goede en slechte poëzie uitzeeft. Ach nee, natuurlijk wens ik dat niet serieus, dat is vragen om problemen. We moeten daarom bijvoorbeeld aanvaarden dat iedereen die zich dichter noemt kans maakt zomaar stadsdichter te worden. Met als resultaat dat ook in het peloton van stadsdichters goede en slechte dichters naast elkaar staan. Hieronder drie recente stadsgedichten. Geschreven door officieren of soldaten? Goede of slechte poëzie? Oordeelt u zelf. Misschien geven de kenmerken die Komrij noemde enig houvast.

  1. Spraakmakend Alkmaar
  2. Holocaustherdenking Groningen 2020
  3. Zutphen bij nacht

 

afbeeldingen Pixabay

Geplaatst in Column.