Philippe Cailliau – Omtrek van water

De omtrek van Oostendse wateren

door Marc Bruynseraede



De nieuwe bundel Omtrek van water van Philippe Cailliau brengt gedichten uit de periode 2016-2019. ‘Omtrek’ zegt de dikke Van Dale gaat terug tot het Griekse ‘periphereia, de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm en de gedaante van bepaalt.’ Of ook nog ‘grenzen waarbinnen een ruimte besloten is’. Cailliau verhuisde in 2014 naar Oostende en wordt daar – na een lange periode van ziekte en dreigende ondergang – met een nieuwe leven gevende horizon geconfronteerd: water. Zijn citaat van Paul Snoek bevestigt dat: ‘Ik woon in de woonwagen water / met daarboven de branding der / zeeingewanden en de schubben / van de bodem daaronder.’

Natuurlijk, als je zoiets fluïde en archetypisch als water tracht te vatten, beland je meteen bij de essentie van poëzie, namelijk; de onvatbaarheid, onbegrensdheid en onuitsprekelijkheid der dingen. Met andere woorden; de diepere (di)mens(ie)-himself. Voor Cailliau’s poëzie betekent zoiets finaal thuiskomen. Zijn taal toont dat overvloedig aan.

Cailliau wordt geboren in Belgisch-Congo, keert terug naar Europa als hij 6 jaar oud is, om dan twaalf jaar in Duitsland te wonen. In 1972 belandt hij in Brussel, waar hij Germaanse filologie gaat studeren. Tegelijk begint hij vanaf 1975 gedichten te publiceren. Dat gaat zo door tot in de jaren 80. Na een lange periode van stilte komt er in 2007 een nieuwe bundel uit, Zwijgboek, waarin hij een balans opmaakt van de moeizame, voorbije periode. In 2014 verhuist hij naar Oostende, waar hij, naar het er uit ziet, zijn definitieve stek gevonden heeft. Van zijn Brusselse periode en zijn ‘aangespoeld’ zijn in Oostende gaf hij al blijk in de vorige bundel Tot de stenen wortel schieten, in de cycli ‘Brussel. Afscheid’ en ‘Oostende. North Seascape’. Het laatste gedicht van deze cyclus begint als volgt:

Als ik kom naar het water het water
naar mij komt wadend door de baren
na de stroom onder het water dat
staketsels deinen doet.

De woorden deinen eufonisch mee op het ritme van het water. Ze glippen door de vingers, worden als het ware water.

Is hiermee aangetoond dat de dichter het product is van zijn biotoop? Mocht dat niet zo zijn, dan wordt zijn omgeving toch deel van zijn leef- en denkwereld.

Dat de zee altijd al in hem gezeten heeft, bewijst een vers uit zijn allereerste bundeltje Aderspatten en plassen – De herziene liefde dat in 1975 verscheen in het tijdschrift Hagelslag ‘het zwalpen vergeten / en zee worden’. Je zou zeggen, na 45 jaar, ‘The Sea revisited’.

Maar meer dan zee, dan water, is er verkenning van de taal en van het innerlijk. Met de cyclus ‘Gulzig water’ (25 gedichten) laat Cailliau zien dat hij het medium beheerst. Zijn zegging heeft aan diepte gewonnen. Het rijke taalgebruik straalt speelse lenigheid uit. De toon is ook rustiger geworden dan in de voorgaande bundels. Ik citeer als voorbeeld het eerste gedicht van de cyclus ‘Gulzig water’

Alles begint bij het water

Zo is de sidderaal, de waterslang,
zo is het jaar, zo lijkt het leed: een beet
voor elk, wat koorts en wat geduld.

Het neuriën van moeders die de genen
laten spreken: zij zijn, als ik, een rib.
Niets komt terug en alles blijft.

Alsof ze klappertanden, denderen
transportwagons van stad naar stad.
De havens vreten zich naar binnen
hol. Vol is wat natgemaakt wordt
door een vluchtend kind dat zwemt,
dat naakt onder het brandglas ligt,
met druppeldorst onder de tong
geschiedenissen van behoeften droomt.

Niets gaat terug en niets is ongewild.
Uiteindelijk wordt alles lichte as.
Begint hier water, eindigt land
waar oude mensen perkament,
waar mondig kind zichzelf embryonaal
vertelt dat het geboren wordt.

Hoe iets begint, weet ik nog
altijd niet. Als ik een rib ben
adem ik.

Toen ik de dichter vroeg waar hij van afkomstig was zei hij: ‘Het langst heb ik in Brussel gewoond. Maar ik voel me geen Brusselaar, ik voel me geen Diestenaar (moederskant), geen Lierenaar (vaderskant), ik weet niet hoe en wat ik me moet voelen.’ Misschien dat ‘Hoop is waar het einde van de omtrek begint’, zoals de opdracht in het bundeltje luidt. En in het gedicht ‘Oordeel en ruis’ gaan de laatste strofen als volgt:

Een stroom van hoopvolle vergissingen
zijn we. Slapen als een onderzeese krater.
Vragen beslaan regels en regels blijven

onze vragen. Als steeds naar oude aarde
ruikt berusting. Ruis, niet meer is toegestaan
dan vloeiend ruis tussen de kieuwen.

De bundel sluit af met een cyclus van zes gedichten onder de titel: ‘Topografie van de stilte’. Een metafysische verkenning van de zin ‘voorbij de woorden’.

Een Chinese uitspraak zegt: ‘Stilte is niet de afwezigheid van geluid. Stilte is de diepste klank’. Deze zes gedichten onderschrijven ten volle dit gezegde:

(…)

Ach: betekenissen
zijn niet vast te houden.
Ook in klanken kruipt
versleten geur van sarcofagen.

En dan: in slaap hoort hij het hart
dat rijp wordt, hoort hij het bonzen
als de interpunctie in de stilte
leesbaar is

(…)

Een bundel die voor taalgevoelige lezers een fascinerend perspectief opent. Voor hen die hem liever in de etalage van de boekhandel willen zien liggen; iets om te watertanden.
___

Philippe Cailliau (2020). Omtrek van water. Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, 56 blz. € 18.00. ISBN9789076644950

Geplaatst in Recensies.