Poëzie Kort 2020 / 3

In de derde Poëzie Kort van dit jaar bespreken we vier bundels:


Carl Norac – Journal de gestes / Gebarendagboek (Eric van Loo)

Brigitte Spiegeler – Ongeëvenaard (Janine Jongsma)

Jozef Deleu (redactie) – Het Liegend Konijn 2020 / 1 (Hans Puper)

Gilles Boeuf – Generaties (Eric van Loo)

Carl Norac – Journal de gestes / Gebarendagboek

Eric van Loo


Voor het onwaarschijnlijke bedrag van € 3,- brengen de uitgevers maelstrÖm reEvolution en PoëzieCentrum een serie booklegs uit, een term die ontleend is aan de bootlegs, geluidsopnames die soms als illegale persingen op lp werden uitgebracht. Nr. 158 is van de hand van Carl Norac, die begin dit jaar Els Moors opvolgde als Dichter des Vaderlands van België.

Het  tweetalige boekje Journal de gestes – Gebarendagboek (vertaling Katelijne De Vuyst) bevat echter geen gedichten die hij in die functie schreef. Het bevat eerder ‘aantekeningen, gemaakt tijdens wandelingen of op het terras van een café, op zoek naar een zin, een vleugel of een steen’. Gedichten, prozateksten en aanzetten tot poëzie staan gezellig door elkaar in deze bookleg. Een kijkje in de keuken van de schrijver. Veel gedichten hebben een opdracht. Het lange ‘Alles de boom in wensen’ is opgedragen aan Billie Holiday (‘op de melodie van Let’s call the whole thing off’). ‘Zwemmen met het onzichtbare’ is een ‘Hommage aan Paul Snoek’, en er is ook een gedicht opgedragen ‘Aan schilder Hugo Claus’. Maar er zijn ook veel observaties: een vijftal impressies in ‘Bejaarden uit Varanasi’, of ‘De wereld veranderen’, dat opgedragen is aan ‘een kind dat voorbijkomt’.

DE ANDER SCHRIJVEN

De voorbijgangers zien me schrijven. Ik ben hun inktmus. Nu eens
worden mijn woorden neergegooid, dan weer kun je ze temmen.
Het zijn reddingsboeien, masten noch zeldzame parels. Ik wil dat
ze klinken als de simpelste lofzang op de onbekende ogen die me
zien schrijven. Wat in me groeit of zich niet laat benaderen. Als
het een gedicht wordt, wacht ik op een vrouw. Als het proza wordt,
wacht ik op de regen.

Deze tekst is als enige in de bundel volledig cursief weergegeven. Misschien omdat het het programma van dit boekje zo nauwkeurig verwoordt. Geen pretenties, geen bijgeslepen teksten, geen vooropgezet plan. Een boekje als een schetsblok van een schilder, waarvan in sommige schetsen de hand van de meester zichtbaar is. Misschien moet het boekje zo ook gelezen worden, kun je het bij je dragen om even je zinnen te verzetten op een caféterras of tijdens een wandeling in het park. Het kan daarbij een inspirerend boekje zijn, dat uitnodigt om ook zelf af en toe enkele gedachten aan het papier toe te vertrouwen, en te zien waar dat je brengt.

MARCHER SUR L’EAU

Quand je m’ennuie, je marche sur l’eau. C’est un passe-temps
sans beaucoup d’attraits. Je ne retire même pas mes chaussures.
Les miracles, j’y croyais à l’époque de l’enfance. J’en provoquais
par accident et je riais à l’idée de rêver.
A présent, je dérange juste mon sommeil, je passe à travers les
murs, je vole un peu. Puis, sans doute par habitude, je marche
sur l’eau.
Je n’ai pas le souvenir qu’une rivière s’en rappelle.


OP HET WATER LOPEN

Als ik me verveel loop ik op het water. Een weinig aanlokkelijke
hobby. Ik trek niet eens mijn schoenen uit. Als kind geloofde ik
nog in wonderen. Ik lokte ze per ongeluk uit en ik lachte bij de
gedachte dat het een droom was.
Tegenwoordig verstoor ik enkel mijn slaap, ik loop door muren,
vlieg even op. Daarna, wellicht uit gewoonte, loop ik op het
water.
Ik denk niet dat er een rivier is die het nog weet.

____

Carl Norac (2020). Journal de gestes – Gebarendagboek. maelstrÖm reEvolution en PoëzieCentrum (coproductie), 56 blz. € 3,-. ISBN 9789056554286


Brigitte Spiegeler – Ongeëvenaard

door Janine Jongsma

In 2019 was het Rembrandtjaar, ter gelegenheid van het 350ste sterfjaar van Rembrandt van Rijn. In plaats van gedichten te schrijven die geïnspireerd zijn op de meesterwerken van Rembrandt, koos Spiegeler een andere invalshoek: zijn biografie schrijven in de vorm van gedichten. Op de binnenflap lezen we: ‘Vanzelfsprekend ontkomt ze niet aan een reflectie op zijn schilderijen en etsen, zijn opkomst als geniaal schilder en zijn droevige teloorgang. Ongeëvenaard is een dichterlijke reflectie op het leven van Nederlands grootste kunstenaar door de ogen van een kunstenaar en poëet van nu.’ Brigitte Spiegeler (die haar leeftijd geheimhoudt op het internet) is advocaat, kunstenaar en dichter. Dit is haar derde bundel. Het opvallende omslagontwerp is van haar hand en de bundel is tweetalig. Naast de Nederlandse tekst staat de Engelse vertaling en dat is commercieel gezien een goede zet met een bundel over het leven van Rembrandt.

Maar vanwege deze keus zijn de onontbeerlijke notities en beelden van de schilderijen achterin de bundel belandt. Helaas staan er bij de gedichten ook geen verwijzingen naar een notitie of schilderij. En bij de notities en beelden achterin staat niet het paginanummer van het gedicht vermeld. Dat maakt het een zoektocht en dat is jammer. Helaas blijft het daar niet bij. De bundel volgt chronologisch de levensloop van Rembrandt en is niet onderverdeeld in afdelingen. Het derde gedicht:

Toen verscheen hij

Hij had wel over hem gehoord
een echt kunstliefhebber
èn kenner
een hoogheid
met invloed in de hele Republiek

Dan kondigt hij zich aan
in je werkplaats
die je deelt met Jan
je werk spreekt hem aan
Nog wat klein van formaat

vond hij mijn werk
hij wilde grote werken
net als Rubens
de naam die ik niet meer kan horen!

Verder klonken
zijn woorden
als zilvergerinkel
Deze man is mijn toekomst.

Degene die verschijnt is Constantijn Huygens, de ontdekker van Rembrandt en later zijn beschermheer, zo lezen we achterin. Wie ‘Jan’ is, is niet duidelijk. Wat valt op aan dit gedicht? Het is proza in strofes verdeeld. Het gebruik van hoofdletters is willekeurig. Het gedicht eindigt vreemd genoeg met een punt. In de eerste strofe is de ‘hij’ derde persoon enkelvoud voor Rembrandt. In de tweede strofe schakelen we met ‘je’ naar tweede persoon enkelvoud voor Rembrandt. En in de derde strofe ontstaat met ‘vond hij mijn werk’ en de ‘ik’ nog meer inconsistentie vanwege de overgang naar eerste persoon enkelvoud. Al met al een slordig vrij kinderlijk gedicht.

Halverwege in de bundel:

Koekenbakster

Zij was een koekenbakster
gelukkig geen koekenbakker
zoetigheden bereiden werd
nochtans beschouwd als man-onwaardig
knullig, ondeskundig gepruts
Het begon als een aanduiding
voor slechte zeemannen
matrozentaal voor hen
die in ‘In den Aap’ gelogeerd hadden
Aan dit alles dacht Rembrandt niet
alle keren dat hij
een koekenbakster vereeuwigde
op tekening of etsplaat
schoof zij hem een lekkere koek toe.

Geïnspireerd op de ets en de tekening van de ‘Koekenbakster’ (collectie Rijksmuseum). De bundel bestaat volledig uit dit soort kinderlijke stukjes proza. Poëzie heb ik niet kunnen ontdekken. Ik vind het nogal beschamend hoe Brigitte Spiegeler onze belangrijkste Hollandse meester en bekendste kunstschilder van Europa neerzet en dit presenteert als poëzie. Het is niet veel meer dan een souvenir voor buitenlandse toeristen. Want op de binnenflap staat nergens vermeld dat dit boek educatief bedoeld is om kinderen op de basisschool spelenderwijs te laten kennismaken met de beroemde Rembrandt van Rijn.

____

Brigitte Spiegeler (2019). Ongeëvenaard. In de Knipscheer, 114 blz. € 19,50 ISBN 9789062657827


Jozef Deleu (redactie) – Het Liegend Konijn 2020 / 1

door Hans Puper

De inleiding van het nieuwe nummer van Het Liegend Konijn heeft als titel De dichter is een ‘vinder’. Niet iedere dichter zal deze stelling in eerste instantie onderschrijven: er zijn er ook die een vraag belangrijker vinden dan het antwoord en zelfs ‘het raadsel’ willen vergroten. Maar Deleu vat het zo op: ‘het zien van het ongeziene, het horen van het ongehoorde, het voelen van het ongevoelde en daarvoor de woorden vinden die ertoe doen.’
Zonder kennis van de traditie gaat dat volgens hem niet; die is noodzakelijk en inspirerend voor elke vernieuwing. Dichters klimmen op de schouders van hun voorgangers of zien daar bewust van af, soms uit weerzin tegen alles wat is geweest. Maar dan moet je natuurlijk wel weten wat er is geweest. Vaak heb ik het gevoel dat dichters vooral naar elkaar kijken – ook letterlijk, op podia.

Er is dit keer werk opgenomen van tien dichters van wie nog geen bundel is verschenen: Ulrike Burki, Dorien Couton, Robrecht Dehaen, Sara Eelen, Andreas Raven, Truus Roeygens, Benjamin de Roover, Femke Vindevogel, Rozemarijn van de West en Maaike de Wolf.
Er zijn enkele lange, verhalende gedichten waarin ritme of regellengte een ondergeschikte rol spelen, prozagedichten en traditionele. Voor de serie ‘KAF’ van Piet Gerbrandy en de vier gedichten van Annemarie Estor moet je moeite doen, maar je wordt daarvoor ruimschoots beloond. Die van Tom van de Voorde zijn intrigerend als vanouds.
Maud Vanhauwaert schreef ‘Gehavend’, een prachtige serie van vier gedichten over het leven in Antwerpen, de ‘stad van grauwe sjoemelaars’ en de haven. De beginregels zijn variaties op elkaar: ‘Ver van huis zijn wij gehavend’, ‘Gehavend zijn wij ver van huis’, ‘Zijn wij gehavend ver van huis’ en ‘Van ver gehavend zijn wij huis’. Je kunt ‘gehavend’ zowel opvatten als ‘beschadigd’ als ‘een haven hebbend’, een thuis. Daarmee leggen de gedichten simultane accenten: verloedering, aantrekkingskracht en de inspiratie daarvan voor poëzie. Ik citeer het derde gedicht (p. 238):

Zijn wij gehavend ver van huis

in de bocht enerzijds de stad
en anderzijds de walmende haven

een rokend en uitgewoond gomorra
met naakte kippen en een opgeblazen vis

die door de olie prachtig parelmoerig
glanst, de lucht zo dik dat ze druipt

de kranen staren als opgezette giraffen
aan de kade, kijk hoe het licht in het water

breekt, de halzen knakken en wij maar
juttend in de koorts iets terug te vinden

dat niemand ons ontvreemdde

Een uitgewoond gomorra, een dode, opgeblazen vis – christendom gedijt hier niet. Het laatste, het terugvinden van iets ‘dat niemand ons ontvreemdde’, zou kunnen slaan op poëzie. In het vierde gedicht lezen we: ‘wat probeer ik ze maar tot in den treure / te raffineren, deze verzen  enge // vaargeulen voor wijd lopende gedachtes / de dokken couveuses’. Mooie beelden. En in dat raffineren zit een poëtica besloten, vergelijk de uitspraak van Marsman over het graan des levens dat wordt omgestookt tot jenever der poëzie.
Maud Vanhauwaert kent de traditie.

____

Het Liegend Konijn 2020/1. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Onder redactie van Jozef Deleu (2020). Polis, 267 blz. € 20,00. ISBN 9789463105187


Gilles Boeuf – Generaties

Eric van Loo


Het gebeurt niet vaak dat lay-out en lettertype in een bundel het lezen van de poëzie in de weg staan. Bij Generaties van Gilles Boeuf moest ik me echter wel over het een en ander heen zetten. De eerste gedichten staan in een kleine vette schreefloze letter. De titel blijkt op de linkerbladzijde staan. Een aardigheidje van de vormgever. Minder aardig is het bijna ontbreken van de bovenmarge. Poëzie moet ademen, het wit is belangrijk. Nu stoten de gedichten hun hoofd tegen de bovenkant van de pagina. De bundel kent vijf afdelingen. In elke afdeling verandert op een gegeven moment de grootte van het lettertype, in de eerste afdeling van iets beter te lezen tot lelijk groot. Daardoor passen de gedichten soms niet meer op één pagina. Ook op de voorkant van deze bundel, waar achteloos twee verschillende lettertypen gehanteerd worden, vinden we deze stijl terug.

Gilles Boeuf presenteert zich op zijn website als fotograaf en dichter. Hij is dus zeker visueel ingesteld, maar de gemaakte keuzes kunnen mij niet bekoren. En dat geldt eigenlijk ook voor de gedichten zelf, het duurt lang voor ik een gedicht of een regel tegenkom die me raakt. En dat ondanks de ronkende tekst op de binnenflap van Edwin Fagel: ‘Het resultaat is een poëzie die de lezer direct aanspreekt en die hem ook voorlopig niet meer loslaat.’ Hier krijg ik jeuk van. Om Máxima te parafraseren: dé lezer bestaat niet. Laten we eens twee fragmenten nader bekijken.

De vierde afdeling is getiteld ‘we kwamen gewoon uit N.’ De ondertitel ‘Voor Tatiana Boeuf-Lvoff (1906-1993)’ doet vermoeden dat deze opgedragen is aan zijn grootmoeder van vaders kant (op de flaptekst lezen we, dat de dichter een Frans-Russische vader heeft). Gedichten met korte zinnen en fragmentarische observaties. Veel woorden die betekenisvol tussen aanhalingstekens staan, zoals ‘het’, ‘in’, ‘hier’. Bedoelt de dichter dat woorden tekortschieten? Of dat de aangesprokene zich nergens thuis voelt? De lezer heeft het nakijken:

ik hoor het binnendringen
van geschiedenis, van jou

het binnendringen van
een ijzige dag, ver

om jou en om
je huis, je
stem:
‘we kwamen gewoon uit N., we
verplaatsten

dat voorval
in een boot – we zijn
wel ‘in’ deze stad, in
dit huis, nu

we zijn
het
binnendringen
en het binnendringen voorbij’


(fragment uit ‘horen en zien’, p.67/p.68)

De vijfde afdeling heet ‘diep tijd eenzaamheid’. Echt waar: ‘diep tijd eenzaamheid’. Drie loodzware woorden achter elkaar. Het tweede gedicht is het titelgedicht van de bundel, en opent als volgt:

generaties

drie generaties de bodem uit of in
gewicht van bomen en uitzicht in je ‘aderen’ – waar? – alles
eist adem
of niets, toch? hoe
ga je ooit die diepte in

Tot zover. Dat dit geen poëzie is die mij als lezer direct aanspreekt mag inmiddels duidelijk zijn. Het tweede deel van de aanbeveling van Edwin Fagel onderschrijf ik wel: het is poëzie die mij voorlopig niet meer loslaat. Helaas.

____

Gilles Boeuf (2020). Generaties. Uitgeverij nY, 98 blz. € 19,95. ISBN 9789081776585

 

De bundel is te bestellen via de website van tijdschrift nY

Geplaatst in Recensies.