De favorieten van Peer van den Hoven

 

In de serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van penningmeester Peer van den Hoven.

De Stowaway

De kapitein
Staat op zijn dek,
Zijn roode nek
Plooit om den boord.

‘Hé, kapitein!
Een stowaway
Ontdekt aan boord!’ –
‘Bij mij! Verrek!
Gooit hem in zee!’

Een negervorst
– Colbert en hoed,
Verder naakt –
Bebonst zijn borst,
Grijnst en groet:
Honger, dorst!
De captain braakt
Vloek op vloek,
Rent op hem los,
Valt over een
Kabeltros
Zelf in zee.
De stowaway
Grijnst: s.v.p.
En de captain:
G.v.d.

(c) J.J. Slauerhoff, uit Verzamelde gedichten. Deel 2 (A.A.M. Stols, 1947)
Dit gedicht werd met tekeningen van Filip Leemans ook opgenomen in J.J. Slauerhoff, Verbeelde gedichten (Atlas, 2009).

Een oude man

Midden in het café vol rumoer
zit een oude man gebogen over een tafel
met een krant voor zich, zonder gezelschap.

En vol minachting voor zijn jammerlijke ouderdom
bedenkt hij hoe weinig genot hij heeft gekend
in de jaren dat hij krachtig, gevat en knap was.

Hij weet dat hij heel oud is. Hij voelt het. Je ziet het.
En toch lijkt de tijd dat hij jong was als gisteren.
Hoe kort geleden. Hoe kort geleden.

Hij overweegt hoe hem de voorzichtigheid misleidde
hoe hij altijd vertrouwde – wat een waanzin –
op de bedrieger die zei: Morgen, je hebt alle tijd.

Hij herinnert zich driften die hij bedwong
hoeveel genot hij opofferde
elke verloren kans stopt nu met zijn nutteloze inzicht

maar door het vele nadenken en herinneren
raakt de oude man versuft en hij valt in slaap
leunend op de tafel van het café.

(c) Konstantinos Kaváfis

Raymond van het Groenewoud begon zijn voorstellingen tijdens een van zijn laatste tournees met de voordracht van dit gedicht, maar ik weet niet of de vertaling wel van hem is en vanwege corona zijn de bibliotheken gesloten.
In Maatstaf 9 (1961-1962) verscheen een vertaling van M. Blijstra-van der Meulen onder de titel Een grijsaard, maar die vind ik minder geslaagd. Drieëntwintig jaargangen later (Maatstaf 32, 1984) legt Wim Hottentot uit waarom hij deze vertaling ook geen succes vindt.

Het aardse paradijs

God was overal. Men vroeg
mij soms of God zich dan
ook bij hen in de tuin
bevond. Al wist ik wat er
ging komen, nooit werd ik
moe te antwoorden: ‘Ja, God
bevindt zich ook bij jullie in
de tuin.’ ‘Maar we hebben
niet eens een tuin!’ riepen
ze dan. God, heb meelij met
dit arme volk. Ze zien hun
tuin niet eens.

(c) Marc van der Holst, uit Pyjamadagen (Van Gennep, 2014)
Ingmar Heytze nam dit gedicht op in zijn rubriek Dichtplaatsen als voorbeeld van een gedicht in de prozaïsche wijs: Onze taal, december 2017.
Geplaatst in Gedichten.