Sis Matthé – Persoonlijk geraakt

Een geslaagde balanceer act

door Levity Peters



We hadden het over muziek. Mijn vriend stelde dat elk groot kunstwerk, of het nou muziek was, poëzie, of beeldende kunst, balanceerde op de rand van kitsch. De aanleiding was de vijfde symfonie van Shostakovich, die hij op dat moment afspeelde, en die hij daarvan een zuiver voorbeeld noemde. Zo kwamen we bij de Toccata en Fuga van Bach, en de veertigste symfonie van Mozart die in de jaren zeventig door popmusici verkitscht waren, evenals de vijfde symfonie van Beethoven. Bij de popmuziek aangeland werden de voorbeelden van een verstoorde balans minder zeldzaam: Bohemian Rhapsody (Queen); Stairway to Heaven (Led Zeppelin); en ook bij Bob Dylan, die toch de Nobelprijs voor Literatuur heeft ontvangen, vonden we een aantal mooie voorbeelden. Dichter bij huis was daar Martinus Nijhoff, een van onze grote dichters, die van een gedicht dat eindigde met: ‘ik weet het niet’, de slotzin genadeloos wist te versleutelen tot: ‘een nieuw bruiloftslied’. Zo duw je een gedicht over de rand, de afgrond in van de kitsch. Niet dat je er dan niet van kunt genieten, al blijf ik persoonlijk problemen houden met mijn voorstelling van ‘een bruiloftslied’. Aangenaam is die niet, oud noch nieuw. Ook uit parodieën blijkt vaak hoe een werk balanceert op de rand van kitsch: het blaadje sla van Rutger Kopland is een mooi voorbeeld dat vaak hilarisch is misbruikt, maar het blijft overeind, jawel…

Mijn vriend stelde de vraag: waarom zijn ‘De vier jaargetijden’ van Pyke Koch kitsch, en die van van Matthijs Röling kunst? Het heeft niets van doen met de technische kant van de zaak, ze waren even goede schilders.

Hieraan moest ik aan denken nadat ik de gedichten had gelezen van Sis Matthé in de bundel Persoonlijk geraakt. Het is zijn debuut. De manier waarop hij schrijft leent zich voor kitsch: ‘we worden gedoopt met water/ dat ons aan de lippen staat, / morsen druppels oppervlaktespanning / met gekruiste vingers in een onwrikbare kramp.’ (blz.33) Naar mijn gevoel is dit over het randje. Het doet mij denken aan de onmachtige pogingen van de oude expressionistische dichters om hevige gevoelens weer te geven. Maar meestal gaat dat goed bij Matthé.

Poëzie is een uitvloeisel van een dichter, een afgeleide. De dichter geeft uitdrukking aan iets dat hem bezig houdt of raakte, en hij geeft daar uitdrukking aan in de hoop dat het herkend wordt, opdat hij erkenning vindt. Erkenning is voor iedereen belangrijk: gezien te worden, gewaardeerd te worden. Maar voor de kunstenaar of dichter in het bijzonder: hij levert niet alleen een product af, maar met dat product geeft hij ook zijn persoonlijkheid of iets daarvan prijs. Dat maakt hem bijzonder kwetsbaar. Kritiek op het werk wordt snel als kritiek op de persoonlijkheid ervaren. Dat er om die reden soms gesjoemeld wordt, mag duidelijk zijn. Kitsch leeft op basis van vervalsing van gevoelens. Communicatie is waar het om draait. Dat kan ook in de vorm van taalspel of -onderzoek zijn: het heeft niet te maken met de vorm waarin de dichter zich uit.

Het begint al bij de omslag: ‘Persoonlijk geraak’ staat er boven aan de kaft, en ergens onderaan staat een eenzame ‘t’. Het vooronderstelt een afzender en een doel, en een afstand in tijd en ruimte. Tussen het ontstaan van de gedichten en de bundel die ik in handen heb ligt een tijd, zoals tussen Matthé en mij een afstand is. En uit de vorm waarin het ‘geraakt’ is vormgegeven, blijkt de bescheiden hoop dat hij met zijn werk de lezer raken kan zoals hij het misschien het liefste zou willen. De ‘t’ die lager staat dan het ‘Persoonlijk geraak’, waar hij vanzelfsprekend bij hoort, wijst automatisch naar de lezer; denk het maar eens andersom, ‘geraak’ onder en de ‘t’ boven, en je begrijpt precies wat ermee is bedoeld. Tegelijkertijd is die losstaande ‘t’ sprekend, staat hij voor iets dat in al zijn simpelheid bij je binnen dringt.

Van het eerste gedicht van Sis Matthé dat ik las (blz. 25) was ik meteen onder de indruk. Dit was niet alleen knap geschreven, maar ook zuiver van gevoel:

bij elke handdruk verloren,

elke schouderklop een last, elke kus
wat gewicht

en dan zwijg je nog

over echt lichamelijk contact
of toevallige aanraking.

klootzakken zijn het
die achter je rug elke gram, elk pak
van je hart, alle huidschilfers
hebben verzameld

tot een hoop die je dacht kwijt te zijn.

daar staat nu
je overschot, je opluchting

de hoop is zo groot als een kind
en niet op te voeden

Mooi! dacht ik. Een prachtig samenhangend beeld over het gevangen zijn in het eigen verleden, waarin mensen je vasthouden vanuit hun behoefte aan zekerheid. Je dacht ervan af te zijn, opgelucht, maar daar staat het, onveranderbaar in hun beeld van jou. Hoewel het een deel van je is, ben je meer, ben je veranderlijk. Ook mooi vind ik: de hoop ‘zo groot als een kind’. Het is het onvolgroeide, onvolwassen deel van je; in tegenstelling tot een kind, is het af. Er is ‘de hoop’, vruchteloos of niet, misschien wel tegen beter weten in (niet op te voeden), waarmee je verder leeft. Terwijl Matthé het over een heel kwetsbaar iets heeft, en er bitterheid door klinkt in dit gedicht, wordt hij niet sentimenteel. Het verlangen naar vrijheid is treffend weergegeven. Naast de zeggingskracht die het gedicht heeft blijft het ook een spel met taal, spel als een zoeken naar mogelijkheden.

Op dat laatste blijft de hele bundel door de nadruk op liggen; het uittesten van de mogelijkheden van de taal. Het is een zoeken naar, wat misschien niet altijd volledig slaagt, een evenwicht tussen de zeggingskracht en misschien wel de ambivalentie van de taal. We leven al lang met het bewustzijn van grenzen die niet meer duidelijk te trekken zijn. Goed en kwaad zijn niet meer zwart/wit, en ook de taal heeft meer nuances gekregen dan men zich vroeger bewust was. Matthé is een van de dichters die daar optimaal gebruik van probeert te maken en die de onzekerheid als een zekerheid zijn gedichten binnen smokkelt. Maar ook veel dat als tegengesteld wordt ervaren en tegelijkertijd in een en dezelfde vorm bestaat. Een mooi voorbeeld daarvan vind je op blz. 52, waar een gedicht eindigt met: ‘zie dan toch wat ik voor jou gebruik. / je oordeel is een lel.’ Een liefdesgedicht. Het duurt soms even voordat de boodschap binnenkomt, maar dan blijkt hij zich al te hebben vastgezet. Het gevoel loopt op de ratio vooruit, en dat is de kracht van de gedichten van Sis Matthé: het taalexperiment overheerst bijna nergens de emotionele overdracht, waarmee hij in staat is om je werkelijk te raken.

Tot slot als laatste geslaagde balanceer act, het laatste gedicht van de bundel (blz. 54):

soms weet ik het plots weer.

het vrijst ben ik als ik tegelijkertijd
en zonder gêne zeg en doe,

niet zomaar drijvend op mijn rug
in een vakantiezwembad starend
naast de vloeiend hete zon,

maar wel
als uitdrukkend naakt
ver weg van de etymologie.

een andere taal valt te verkiezen
boven zelfbeklag, historisch onderzoek
of kieuwen.

want, ach, macht.
doodsbenauwd geneuzel in een leren jas,
een geste als gevecht.

en al die tijd keek niemand
naar de bloemen.

Ernst, die vrijwel nergens te zwaar wordt; hier en daar onverwacht heldere beelden (in een vakantiezwembad starend naast de vloeiend hete zon); een zoeken naar grenzen van de mogelijkheden van de taal, zonder dat de poëzie daar droge studeerkamerpoëzie door wordt; een krachtige uiting van onderliggende emoties, geworteld in het alledaagse bestaan, die in deze poëzie een verfrissende helderheid krijgt.

____

Sis Matthé (2020). Persoonlijk geraakt. Het Balanceer, 64 blz. € 18,-. ISBN 9789079202591

Geplaatst in Recensies.