Willem van Zadelhoff – Al mijn kappers

Het sombere en sobere maar juiste woord

door Hans Franse



Het is geen vrolijke poëzie die in deze bundel is samengebracht, gedichten doortrokken van vergankelijkheid, dood en herinneringen: de tijd gaat voorbij, de mens gaat ook voorbij. De stilte wordt opgevuld met het kernachtige woord. Als motto koos de in Antwerpen wonende kenner en criticus van Duitse literatuur Willem Zadelhoff niet voor niets dit motto van Gerrit Kouwenaar wiens poëzie ook gekenmerkt woord door het altijd juiste woord, dat de kamer uiteindelijk wit maakte: ‘vandaag hoort de woorden de stilte bezweren / alsof de tijd ooit te stillen was’.

Toen ik mij na een eerste  globale lezing van de bundel wat verdiepte in de persoonlijke feiten van de dichter vond ik een kleine herdenking van zijn overleden leraar Nederlands aan het Arnhemse Thomas à Kempislyceum, Jan Elemans, een in Arnhem ‘verdwaalde’ Brabander. Vaak meer voordrachtskunstenaar en verteller gaf hij op klompen les en bleef de man uit Huisseling (vlakbij Ravenstein, vestingstadje aan de Maas). Van Zadelhoff vertelt over zijn aanvankelijke frustratie dat hij bij veel leraren Nederlands een 4 voor zijn opstellen kreeg, hij hoopte dat de nieuwe docent, Jan Elemans, hem wat milder zou beoordelen: echter, bij zijn eerste ingeleverde werkstuk scoorde hij een 3-. Het bleek later dat dit cijfer niet genoteerd was. Wel legde Elemans bij hem de roman Bint van Bordewijk neer met het advies die eens te lezen en dan zijn opstel te herschrijven: een zin mocht niet langer dan een regel zijn. Dat opstel, ontdaan van ‘al die romantische negentiendeeeuwserij’ leverde wel een hoog punt op. Willem van Zadelhoff ziet deze gebeurtenis als belangrijk voor zijn ontwikkeling als dichter. Ook in deze bundel is er een herdenkingsgedicht voor Jan Elemans opgenomen, waarvan een fragment:

dat de dood op klompen zou komen
dat het geklepper de woorden onverstaanbaar maakte
dat de zon weerspiegeld door het water van de rivier
dat de taal verblind door het licht dat taal hakkelend
letter voor letter niet langer tot woorden in staat

De hier te bespreken bundel heeft als hoofdthema de vergankelijkheid als een worsteling tegen het verleden, beelden van toen roepen andere beelden op, herinneringen aan overleden vrienden en bekenden, aan zijn gestorven vader. Hij bestaat uit een aantal cycli waarvan de eerste ‘Al mijn kappers’ de naamgever van de bundel is geworden. Het zijn sfeer beschrijvende portretten van deze tanende kappers. Dat ik bij deze beschrijvingen iets kan meevoelen komt door het feit dat ik zelf in Arnhem heb gewoond en zelfs dezelfde kapper heb gehad. De eerste kapper werkt in de oude Johan de Wittlaan, herbouwd na de vernieling van de stad in 1944: de ‘scherpe rook van goedkope tabak herinnerde / aan gevechtshandelingen’, de kapper met ‘het vale gezicht waarin geen enkele bloem’. De tweede kapper werkt in een modern winkelcentrum (Presikhaaf), alles in zijn winkel wijst op een sportief verleden als waterpoloër, maar nu de ‘gekooide man / die nooit zou wennen aan een droog bestaan’. Ik herinner me die kapper, Ben Kniest, goed in zijn gloednieuwe winkel in de jaren zestig van de vorige eeuw die het restant van mijn haren knipte. Zo komen nog zes kappers voorbij waarbij er één spoorloos verdwijnt. De laatste werkte aan de Via della Rimembranza in Levanto. Ook ‘hijzelf ontkwam niet aan de tijd / de vrouw die er later haar kruiden verkocht / kon zich met moeite zijn naam herinneren.’

De andere cycli zijn wat minder toegankelijk, het zijn te ontdekken werelden. ‘Plantaardig leven’, de tweede cyclus, bevat een aantal korte gedichten, evenals de derde eenheid ’De hysterische liefde’: het is een zoektocht naar het ‘ wortelstelsel van het leven’ en naar de liefde of juist de onmacht de liefde te vinden die ook eindigt met een terugblik op ‘iemand die is opgelost in de tijd en die je denkt te zien’.

Intrigerend en eindeloos interpreteerbaar is de naar mijn gevoel op associaties berustende cyclus ‘Chopin in de aspergevelden’. Ik ben er lang mee bezig geweest: een pianist, een Pool, blauwe vrouwen en rode rozen roepen een soms beklemmend beeld op. Ik citeer het tweede gedicht:

dus dat blauw van lip en vrouw
dat blauw van vroege zonsondergangen
blauw van spataderen op een oud meisjesbeen
blauw van een tuberculeuze wang

dus als daar de bleke pool met onder zijn ogen
dat blauw dat blauwe fluweel op dat portret van mieczyslaw koscielniak
aan de wand van de zaal waar het orkest in auschwitz
repeteerde waar de bleekneus
op zijn piano een wals hamerde
zo graaierig zo vragend om aalmoes
om moederborst
sowieso melodieën klinkend als meisjesnamen

De ‘9 gedichten voor een kleine vrouw’ schetsen eveneens een sombere wereld, waarin de zinsnede ‘het woord was gif’ de toon zet, ook hier nog veel te lezen en te ontdekken. De bundel is een poëtisch eldorado: er wordt nog zoveel aangeboden aan de lezers, er is nog zoveel te begrijpen, te voelen, te vinden.

Ik ga nog even in op de cyclus ‘Zonder aanzien des persoons’, die het meest bevattelijke deel van de bundel bevat. De dood raakt eenieder, zonder aanzien des persoons. Het zijn herdenkingsgedichten. De designer Wilma Sommers verdronk: ’op het water gestapt / op het vliesdunne ijs / in een andere wereld gekanteld (…) dus toen je het pad volgde / vroeg je je af waarom / de wereld zo traag werd (…) en waarom zo verdomd stil / waarom ineens stil’. Hierin ook het herdenkingsgedicht voor Jan Elemans, en voor Wim Brands, de betreurde presentator van het VPRO-boekenprogramma, tevens schrijver en dichter. Ik vind dit een van de mooiste en meest persoonlijke gedichten:

wim brands

hij stond onder het dekzeil van een kraam op de boekenmarkt
de regen af te wachten toen zijn hand de dunne bundel
van tafel griste en triomfantelijk omhoog hield

parlando zei je met gespitste lippen parlando van du perron
of ik wist dat daarin en je keek me aan met een blik die ik toen
niet goed begreep dat daarin het mooiste gedicht stond dat je kende

en stamelend las je dat gedicht van du perron over zijn vader
hoe hij eerbiedig zijn portret uit de lijst had genomen omdat er
stof was in gekomen en het er later weer had in gezet

Ook de vader van de dichter wordt in deze afdeling geëerd met een gedicht, maar de cyclus ’Uit de tijd’ waarmee de bundel eindigt is ‘ook voor vader’.

Proberen een samenvatting te geven is moeilijk: het zijn gedichten vol herinneringen, associaties, vol dreiging soms. Beelden roepen associaties op van dood en ouderdom, levens worden vaag en verdwijnen. Alles beschreven in een taal waarin geen woord teveel wordt gebruikt, maar juist elk woord zijn plaats verdient. Ik denk niet dat deze gedichten gemakkelijk tot stand kwamen, ook voor de dichter moet het een onderzoek en een ontdekkingsreis geweest zijn, misschien zelfs een gevecht, dat in deze precieze poëzie resulteert.
Wie deze bundel aanschaft zal er lang plezier van hebben in die zin, dat herlezen leidt tot herijken, tot nieuwe ontdekkingen, tot een verder binnengaan in de wereld van de vergankelijkheid. Of het grote poëzie is vermag ik niet te beoordelen: ik vind het wel een bijzondere bundel, waarin de schaduw van het verleden nooit verdwijnt.

envoi

aan het graf geen eenzame dichter
laat zijn heil elders zoeken
naar levenden om te wekken
met verzen en veerkracht

aan het graf wil stilte heersen
soms doorbroken door vallend blad
want als de dood zich neerlegt
is de taal van vlees ontdaan

____

Willem van Zadelhoff (2020). Al mijn kappers. Uitgeverij Polis, 76 blz. € 20,- ISBN 9789463104678

Geplaatst in Recensies.