sadà\exposadà – metafysika uitgelegd aan onze goden

Archeologische poëzie voor gevorderden

door Kamiel Choi




Uitgeverij crU geeft ‘axiomatische poëzie’ uit. Een axioma is een niet bewezen, maar als grondslag aanvaarde bewering. De poëzie van sadà\exposadà (niet de naam van de dichter, maar van een corpus van teksten) wekt zeker de indruk een grondslag te hebben, een verzameling laatste (of eerste) beweringen waarvoor geen bewijzen denkbaar zijn. Op het eerste gezicht ondoorgrondelijk. Dit geldt zeker voor het ‘sluitstuk’ van deze indrukwekkende reeks eigenzinnige poëzie die de dichter publiceerde: metafysika uitgelegd aan onze goden. De titel stelt ons als lezers voor een raadsel. Moeten we ons bij het lezen met ‘onze goden’ identificeren aan wie de metafysica wordt uitgelegd? Of is deze tekst eigenlijk niet voor ons bestemd, hebben we hem onderschept? Zijn de tekens (hiëroglyfen) in de tekst vergelijkbaar met de beroemde gouden grammofoon die in 1977 met de Voyager 1 ruimtesonde de ruimte in werd gestuurd? Als menselijke lezer verwacht ik niet dat ik de metafysica krijg uitgelegd, maar een inzicht hoe de auteur de metafysica, de leer van het ‘eerste beginsel’ aan onze goden uitlegt. Maar zijn de goden (tenminste, onze monotheïstische god) niet zelf het eerste beginsel? Betekent die uitleg van de metafysica aan hen dan niet het expliciet maken van wat met het veronderstelde bestaan van die goden al was geïmpliceerd?

Dat doet aan de Duitse filosoof Hegel denken. De bundel opent inderdaad met een bizar citaat uit Hegels Enzyklopädie, waarin de filosoof zijn beroemde dialectiek rücksichtslos gebruikt om aan te tonen dat de vrouw passief en de man actief is. Door deze kant van Hegel te benadrukken wijst sadà\exposadà op het falen van Hegels systeem – faalt het omdat het de metafysica aan de mensen wil uitleggen, terwijl zij alleen uit het perspectief van de goden begrepen kan worden?

De bundel bestaat uit vier titelloze afdelingen I t/m IV, met steeds zes titelloze langere gedichten.

Het openingsgedicht begint als volgt (ik laat hier de typografie bewust weg en concentreer me op de woorden):

in pakketjes mijn pik, / rolt je botten. / Natureingang / medische taxonomie verzamel heer
medisch. juridische taxonomie verzamel heer juridisch. / rode auto oog. scan in pakketjes, bot
rolt. de horizon blaast als een vierkant. kolen als circus in mijn kop (schamp je dijen, met mijn
wiel) / orde steeg naar het noorden (rook van de industrie) hamers naar het zuiden / de zon
drinkt uit het vuur – de avond zijn Endzweck

(…)

Het gaat hier misschien over seks (pik, Natureingang, schamp je dijen) maar er speelt veel meer. Welke heren worden hier aangehaald om de medische en juridische taxonomie (naast de theologie de twee belangrijkste klassieke universitaire disciplines) te verzamelen? Wat zijn dat voor pakketjes? Wordt hier een proces in gang gezet dat als spoor -zoiets als de uitleg van de metafysica aan onze goden- dient? We moeten de tekst op ons laten inwerken en vooral niet vooringenomen zijn. Wat voor interactie tussen de verschillende korte regels merken wij zelf als lezer op? Hier is de typografie heel belangrijk; we moeten het gedicht in zijn geheel voor ons zien om het te laten werken.

Bij het lezen van deze ‘otherworldy’ poëzie krijg ik het gevoel dat de dichter duizelingwekkend snel associeert en de lezer poogt voor te blijven, zodat hij zelf bijna achter de horizon verdwijnt. De woorden zijn als het avondrood, licht dat alleen zijn meest intense kleuren heeft behouden. Neem dit fragment uit het slotgedicht van afdeling II, midden in de bundel (typografie is niet exact weergegeven):

——                           —–drijf het dier af met je halfkop praalkop kistkop wanneer een speeldoos-kind
———–pist in de holte.
——–                  sprinkhaan-kelken, op de schaal heldere lymfe-uitrusting, heersen waar het vuur niet
———–komt,
———–uit de holte stroomt de rattenduur, de ogen bellen van botten.

———                           —rimpel de voorhuidsogen met de zeil-Kitzler van de Geist, kleed het oog met de
———–sprinkhaan-kelk, kleed het oog met de rattenduur, kleed het oog met de gekastreerde
———–matrix-rimpeling, zilverpraalbot het oog als handeling.

Het is poëzie waar je moeite voor moet doen. Toegang tot dit soort poëzie, die we hermetisch mogen noemen, is zo individueel bepaald, dat ik niet probeer om de ‘essentie’ weer te geven in een recensie. Het is waarschijnlijk de moeilijkste poëzie die ik ooit heb gezien. In mijn ervaring is het een ademloze zoektocht naar de mogelijkheidsvoorwaarden van betekenis. De regels lijken elkaar fysiek te overrompelen en met elkaar om voorrang te strijden. In mijn lezing is er zoveel erotiek in de bundel omdat dit de grenzen van de communicatie opzoekt, iets dat sadà\exposadà in zijn werk zelf ook doet.

Potentiële lezers kunnen misschien het best een indruk krijgen van deze bundel door de woordenschat van sadà\exposadà op zich te laten inwerken. Het idioom bestaat uit woorden zoals: amygdala, geist, Kitzler, exobotten, zeilen, Ahnung, kookwiel, dij, circus, praaldoorn, drinkrol, rode auto, tymbalen, fallus-god, paardeharen, mank-machtige, gehoornde, das furchtbarste, registerlicht, pijplijnen, zilverpraal, darmen, voorhuid, symptomen, matrix, holle stierenrug, of het gecreëerde ithyfallisch. In mijn beleving ligt in de klank en de werking van deze woorden reeds de strekking (als we dat woord hier kunnen gebruiken) van de bundel besloten, zoals omgekeerd de bundel met een zekere noodzaak uit deze woorden volgt.

De woorden staan er keihard en ongenaakbaar, maar de betekenis lijkt niet te willen beklijven. Soms vinden we onder de hevige storm van onze interpretatie zinsdelen die we thuis kunnen brengen, die ons minder heimelijk zijn, zoals: ‘drijf het dier af met je halfkop’ en ‘in de mondhoeken van de zeilen kruimelt de zoon’ en ‘slechts op afstand beschermt de zee je’ en ‘je zoon is je sterfkleed’ en ‘vervellen de duur van je vingers’ of ’is de modder tussen je tenen een tempel?’ Het lijkt alsof de monumentale woorden eromheen deze korte zinsneden bescherming moeten bieden tegen verwering en verwording tot cliché.

metafysika uitgelegd aan onze goden is een zeer zorgvuldig gecomponeerd slotstuk van sadà\exposadà’s polyptiek: rekonstruktie/konstruktie (met de delen zienerlied-entartet, ON-, de gele boeken/zout) de grote middag en de zaal van baards! die in de afgelopen jaren werd uitgegeven. Het is fysieke poëzie waar de lezer zijn tanden in moet zetten – de moeite waard.

De bundel is vakkundig vormgegeven met een aangenaam lettertype en ruim voldoende wit. De hiëroglyfen zoals het oog en het vierkant voegen een extra betekenisdimensie toe, net als de twee aanvullende kleuren licht- en donkerrood en grijs. Het omslag is ontworpen door Sandra Schuurmans.
____

sadà\exposadà (2019). metafysika uitgelegd aan onze goden. Uitgeverij crU, 78 blz. € 20,00. ISBN 9789079993239

Geplaatst in Recensies.