Wim Vandeleene – Duikvlucht

Het hijsen van de papfles

door Paul Roelofsen




Geen presentatie, toch verschenen. Na jarenlang schaven aan honderden gedichten en voorpublicaties in talrijke literaire tijdschriften zou op 21 maart, de eerste lentedag, in het Poëziecentrum te Gent eindelijk de vernissage plaatsvinden van de eerste dichtbundel Duikvlucht van Wim Vandeleene. Er was reikhalzend naar uitgekeken, het ging niet door; spelbederf van de gekroonde heks. Het presenteren van een bundel, zeker als de dichter daarmee debuteert, is zoiets als een geboortefeest; Vandeleene zal dan ook de afgelasting ervan ongetwijfeld als zeer teleurstellend en pijnlijk hebben ervaren.

De bundel bestaat uit het openingsgedicht ‘Prognose’ gevolgd door zeven afdelingen die ieder uit vijf tot acht op zichzelf staande verzen bestaan welke echter ook als cycli kunnen worden gezien, bij enkele zelfs als een doorlopend verhaal. Ik ervaar dit als aangenaam, je wordt zolang je binnen zo’n sectie blijft niet heen en weer geslingerd tussen verschillende onderwerpen wat de concentratie ten goede komt. De titels van de afdelingen geven direct een idee van de inhoud. ‘De wieg van mijn stamvader’ opent met het gedicht ‘Confetti’ als volgt: ‘het feest begon zonder ons / met het recept voor oersoep. / meteorieten sloegen kraters, / smeltkroezen voor cellen. // hoe kan ik mijn lichaam verklaren? / de achteruitkijkspiegel is beslagen. (…).’ Enkele gedichten hierna zijn we al millennia verder om op geestige wijze in contact te geraken met de leer van Darwin.

Nestelen in de stamboom

in de zoektocht naar mijn wieg
stoot ik op een boom waarin mijn stamvader zit.
hij keurt mij bazig. ik haal het argument aan
dat de grond bij onweer veiliger is.

hij klimt omlaag wanneer ik de donder nadoe.
we wisselen klanken en misverstanden uit
tot we begrijpen dat we soortgenoten zijn.
het gras ligt als een hoogpolig tapijt
uitgerold over de vlakte.

met geduld leer ik hem rechtop te lopen.
de rui wist zijn vacht uit. bewust van ons verschil
trek ik kleren uit en laat ze liggen bij mijn schaamte.
vogelvrij verklaard klim ik in zijn boom.
onder zijn bladerdak vind ik mijn wieg.

Opmerkelijk is de helderheid van dit gedicht en het beeldende. Je ziet het voor je en illustratoren van kinderboeken zullen ongetwijfeld popelen wanneer ze de poëzie van Vandeleene onder ogen krijgen. Iets om aan te denken bij een volgende druk?
Het laatste gedicht van deze afdeling, ‘IJsmummie’, is misschien weer iets te griezelig voor tere kinderzieltjes, maar voor de geharden onder hen om van te smullen: ‘op de tong van een gletsjer / vind ik mijn stamvader terug. / met koperbijl en berenmuts, / met nagels huid en haar.(…).’

De gedichten in de volgende afdelingen zijn ernstiger van toon, of beter, de ondertoon komt er meer in naar boven. In de afdeling ‘Het land van Elders’ voelt men bijvoorbeeld enerzijds de drang grenzen te overschrijden om het paradijs te vinden maar anderzijds de hang naar de bron van herkomst, want zou men ook daar niet de Hof van Eden (terug) kunnen vinden? Uit ‘Exodus’: ‘(…) ik ben uitverkoren om te blijven / waar ik de voeten plant, om te bloeien / waar ik wortel schiet.(…) ons vluchtplan vult de koffer. / de dorst dringt in mijn voeten. / het land Elders heb ik uit de atlas geknipt.’

In de afdeling ‘De torenwachter en de menigte’ refereren de gedichten aan de toren van Babel, aan de hoogmoed die tot misverstanden, spraakverwarring en chaos leidt.

De werf van Babel

mieren van mensen dringen samen,
graven het fundament van een toren.
ze gieten beton in kisten, halen moed
uit de hoogte. ik kijk naar hun werktuigen.

niet hun vlijt, de zon drijft het zweet uit.
de torenkraanbestuurder zit in de wolken.
te veel talen hier, een kluwen van tongen.
ze verliezen zich in gebaren.

de tolk meldt zich afwezig.
door een misverstand loopt de werf leeg.
als ze uitwaaieren in het weidse vlak,
kies ik de toren en een taal als dak.

Bijzonder vind ik de laatste regel waarin de toekijkende ik-figuur alleen achterblijft op de werf en in alle rust een taal kan kiezen als onderdak.

Het titelgedicht ‘Duikvlucht’ is het laatste gedicht van deze afdeling. Wederom valt de helderheid en ook de eenvoud op waarmee een doodsbedreigend voorval wordt beschreven; geen ademnood, geen ‘vertigo’ als in Hitchcock’s gelijknamige film en geen held als Jan van Schaffelaar. Men kan van alles achter dit gedicht zoeken, ik laat het liever bij wat er in bondige zinnen letterlijk staat.

Duikvlucht

rook stijgt in de trappengang
van de toren die me klein houdt.
ik sta in het hoge open raam.

op het plein de mensen.
door draden verbonden vormen ze een vangnet.
ze spannen het op wanneer ze uiteen wijken.
hun tumult, door een sirene overstemd.

het regent bluswater, de verticale koers
wordt berekend. Het vuur blaast me moed in
voor de sprong. De trapeze ontbreekt.
zonder grond ben ik een lamme vogel.
het vangnet schept me uit mijn val.

De chronologische opsomming in veel gedichten van Vandeleene met aan het eind van bijna elke regel een punt of komma geeft deze een sobere stevigheid en iets wetenschappelijks. Uit het gedicht ‘Vacuüm’: ‘stel, we vullen onze longen nog één keer, / zetten een stolp over ons en pompen er lucht uit. / aan de onderdruk geven we ons over. / alleen het licht gaat er nog doorheen. (…).’ Je denkt hier onwillekeurig aan de maatregelen om het coronavirus in te dammen, maar dat is geloof ik niet de bedoeling, het gedicht komt uit de reeks ‘Broedzorg’ waar het ongetwijfeld naar verwijst. Ik noemde de ondertoon die naarmate de bundel vordert steeds voelbaarder wordt, een bezorgdheid over waar het met de aarde naar toe moet. Vandeleene laat zich niet overweldigen door deze ongerustheid, hij houdt afstand, maar juist dat maakt deze bundel zo sterk. Meestal blijven zijn verzen ook van het begin tot aan het eind op de juiste spanning, slechts een enkele maal zwakt een gedicht aan het eind af, zoals in ‘Stroomstoot’ waarin het in de eerste twee strofen knettert: ‘(…) ruis op de radio en fluittonen. / de schicht en de donder in één tel. / een barst in de lucht steekt me aan / en laadt het ijzer in mij op. haar knettert.(…)’ om in de derde weg te ebben: ‘(…) elke zenuw een stroomdraad. / energie voor de daad / die de droom wegvaagt.’

Ik eindig met de laatste twee strofen van het openingsgedicht ‘Prognose’ waarin het op aarde door klimaatverstoringen en een inslaande meteoriet helemaal in het honderd loopt en de paniek toeslaat:

(…)

of we wijken uit naar Mars
waar we gewicht verliezen.
daar teren we op astronautenvoer,

bij gebrek aan kluif
vallen onze tanden uit.
opnieuw hijsen we de papfles.

Ernst en humor, hoe mooi gaan ze hier niet samen!
____

Wim Vandeleene (2020). Duikvlucht. Uitgeverij De Zeef, 64 blz. € 17,-. ISBN 9789493138179

Geplaatst in Recensies.