Klassieker 242: Ben Cami – In een boot, onder de nacht

door Jan Buijsse

Meander Klassieker 242

In zijn serie over naoorlogse Vlaamse dichters bespreekt Jan Buijsse dit keer een gedicht van Ben Cami: ‘In een boot, onder de nacht’ (1988). Cami was met o.a. Remi C. van de Kerckhove (zie Klassieker 217) redacteur van Tijd en Mens. Het blad luidde vanaf eind 1949 de vernieuwing van de Vlaamse poëzie in. Hun leerschool was de verwoesting van de oorlog. Nog lang zullen in Cami’s werk de echo’s ervan doorklinken.


In een boot, onder de nacht,
Onder de hoorn van de maan
Zaten we te peuren. Soms
Wiegde de boot en pletste een paling.

Van heel ver naderde geruis en
Even later sijpelde de zomerregen
Rustig en spraakzaam over ’t water
Het riet en onze warme ruggen.

Na de bui verscheen de maan weer en
Een donker wezen trok in de verlichte plas
Een lang spoor dat verdween en
Later haast onvoelbaar uitstierf
Tegen de oever en tegen de boot.
Iemand zei: een otter.

Toen kwamen de vliegtuigen, heel hoog, vele,
De donkere stilte brokkelde uiteen als turf,
En eerst na lang vormde de nacht
De stilte opnieuw.

Vreemd, dat geen van ons aan het gedreun
Veel aandacht schonk,
En de dobbers, drijvend op het maanlicht,
Verder roerloos bleven de hele nacht.




Ben Cami (1920 – 2004)

uit: Ik ben hier vreemd (1988)
uitgever: Kritak

In het derde nummer van Tijd en Mens, van januari-februari 1950, verschenen de eerste gedichten van Ben Cami in dit tijdschrift. Eerder al publiceerde hij werk in het Nieuw Vlaams Tijdschrift en in Podium. De ondertitel van Tijd en Mens was ‘Tijdschrift van de nieuwe generatie’; met Jan Walravens, Remy C. van de Kerckhove, Hugo Claus en anderen vormt Cami die nieuwe generatie. Het is een generatie jongeren getekend door de oorlog: ‘Het is er ons in de eerste plaats om te doen de jeugd aan het woord te laten, die in 1940 twintig jaar was en niet door professoren maar door de oorlog opgevoed werd.’ schrijven zij in het manifest in hun eerste nummer. Het is dan ook niet vreemd dat oorlog in Cami’s werk altijd een rol is blijven spelen. Al meteen in een van die eerste Tijd en Mens-gedichten de regels ‘En dan de grote vlam, die niemand heeft gehoord, / Die niemand zag maar d’ aarde scheurde. / We weten niets van wat nadien gebeurde, / Geen vogels meer, geen groen, en van nergens een woord.’ (1) ‘de grote vlam’, de atoombom op Hiroshima – ‘van nergens meer een woord’, waarover moet een dichter nog dichten in de nieuwe tijd? Jaren later zal Cami dichten: (2)

Poëzie is een dier, een kruising
Van de zachtste dieren op aarde.

Het verlangt zich te verbergen
In portalen, in kroegen,
In ondiep klaterend water,
Tussen de bladen van nooit gelezen boeken,
In de ogen van onmenselijk jonge kinderen.

Maar dagelijks staat het
De mens tegenover, gewapend
Met een bot mes.

Komt de poëzie met een bot mes, botte messen kunnen de ernstigste verwondingen toebrengen, niet door grote woorden maar door het essentiële in een gedicht. Zo ook in ‘In een boot, onder de nacht’. (3)

Het is een stil begin – ‘De stilte voor het eerst geluid’ schreef Cami in zijn eerste ‘Genesis-gedicht’ – in bijna kabbelende regels. Het eerste geluid in dit gedicht is het onomatopeïsch pletsen van een paling. En nauwelijks beweging. De boot wiegde, maar niet voortdurend: soms, het is een grote geborgenheid waarin de vissers zich bevinden. De stilte wordt geaccentueerd door het van verre naderende geruis van de regenbui, ‘rustig en spraakzaam’ – mooier samenvatting van een regenbui lijkt niet mogelijk. Cami kende dan ook dit vissen. In de cyclus ‘Biesbosch’ beschrijft hij in zes gedichten een vergelijkbare vistocht: daarin schuilt de vis bij een regenbui ‘Onder dit onbegrijpelijk gedruis / Op zijn glinsterend dak’. De bui trekt over, het peuren gaat verder. De stilte en het door de maan verlichte donker keren weer. Een nieuwe, kleine verstoring in de kalmte van het vissen trekt langs. Met hoeveel woorden kan iemand vertellen wat een otter teweegbrengt. Cami heeft er vijfentwintig voor nodig, vier regels van bijna ongemerkte beweging, met het juiste enjambement in dit strofedeel. Eerst de verlichte plas, dan het spoor met het treuzelende ‘en’ aan het eind van die regel, waardoor ‘later’ – hoeveel tijd in een woord – pas het ‘uitstierf’, terecht aan het eind van de regel, en dan pas het einde tweezijdig ervan. Het is niets, ‘Iemand zei: een otter.’, wat zou het ook meer moeten zijn?

Voor de lezer, op dat punt aangekomen, is het ook niet meer dan dat. Misschien vraagt hij zich af, of die vissers nog wat zouden vangen. Het gedicht moet nog verder – de lezer kan hooguit vermoeden dat er na het wiegen, de regen en de otter, in zekere zin een climax, nog iets komt. De drie zo gewone gebeurtenissen tijdens het peurend vissen krijgen inderdaad een veraf vervolg, met eerst de afstand – van heel ver, net als de regen – dan het aantal, in één woord, door de halve alliteratie duidelijk gekoppeld. Eigenlijk onderbreekt het het vissen niet, wel is er geluid – een hinderlijk geluid, en het duurt wel lang. Die verbrokkelde turf, als het een beetje waait, vliegt het uiteen. Maar let ook op de associërende assonantie in ‘donkere’ en ‘brokkelde’.

Achteraf moet de zacht en aarzelend sprekende verteller zich over twee dingen verbazen: aan de vliegtuigen werd geen aandacht besteed – hij weet inmiddels waar de overvliegende vliegtuigen een voorbode van waren – en vis werd er niet meer gevangen. Hij vertelt ons deze nachtelijke vistocht in zo weinig mogelijk woorden, het zijn er maar 132, en in zeven zinnen. Het poëziemes lijkt vlijmscherp geslepen, uiterlijk is het een karig gedicht, minimalistisch. Maar de grote verwonding komt als de lezer – in mijn ogen eerder een luisteraar: de visser vertelt het mij veel later, na die oorlog, bij valavond, niemand die het kleine verhaal verder hoort – zich realiseert dat hier met die weinige woorden heel veel wordt verteld. Dat is het gevolg van het botte mes. Het is geen verhaal dat er achter elkaar uitkomt. De witregels markeren niet alleen de tijdsprongen tussen de vier voorvallen die nacht, ze geven veel meer de stiltes aan die de verteller laat vallen na elke kleine herinnering. De langste stilte is die tussen de vierde en vijfde strofe: later, veel later, realiseert hij zich de gevolgen van het vliegtuiggeluid. En ook daar zit weer, even, een kleine pauze: die komma na ‘Vreemd’ staat er niet voor niets. Dat die vissen niet meer bijten heeft met dat geluid natuurlijk niets van doen, maar het valt hem nu ineens op. Je onderneemt een vistocht om iets te vangen. Het is het afdwalen van het grote onzegbare naar het kleine concrete. De stilte na het vertelde gaat door in het wit na het gedicht.

De essentie van het gedicht is dat er zo zuinig mogelijk verteld moet worden over iets waarvoor elk woord tekort moet schieten: oorlog. Dit gedicht kan ook niet geïsoleerd worden gelezen – het euvel van elke bloemlezing. In de bundel waarvan dit gedicht het openingsgedicht is, Ik ben hier vreemd, wacht Cami nog even met vier ook niet al te opgewekte korte gedichten, voor hij met een breed vertellend gedicht de oorlog toont, met als eerste strofe:

De appelbomen bloeiden, het graan stond
Hoger dan ooit beleefd en een oorlog
Was ontstaan. De kinderen jengelden,
Bommen deden de aarde openbarsten.

In de poëzie van Cami staat de eenzame mens machteloos tegenover wat er om hem heen gebeurt. ‘Eenzaamheid. We dragen haar / Als een kil kleed.’ zijn regels uit een van de laatste gedichten van Cami. Machteloze poëzie is het niet. Cami is een van de voormannen van de naoorlogse poëzie in Vlaanderen geweest, zich ontwikkelend in een tijd waarin ‘poëzie’ opnieuw moest worden omschreven. De titel van het tijdschrift waarin Cami zijn vroege verzen kon publiceren was een programmatische: Tijd en Mens, wat is de plaats van de mens in deze tijd? Daar moet de poëzie na de grote vlam over gaan. Die plaats is een onzekere, en de tijd? De natuur legt het Cami tenslotte uit: (4)

Wanneer de reiger schemering neerstrijkt
En het gele kaarslicht van mahoniebloesems oplicht,
Is er, een avond lang,
Geen nood aan toekomst.

____

(1) In gedicht 5 van de cyclische bundel In de tijd verloren (1950), een verwerking van het Bijbelboek Genesis, waarin de eenzaamheid van de naoorlogse mens de ondertoon is.

(2) In de bundel Blanco stem (1967).

(3) Dit gedicht ook in Ben Cami, Gedichten (2009), 241.

(4) In de bundel Ten westen van Eden (1998).

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Dit was de laatste Klassieker voor de zomerstop. In september hopen we het nieuwe seizoen te openen. Nieuwe bijdragen voor het seizoen 2020-2021 zijn van harte welkom.
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem svp tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.