Met Haagse kusjes

door Hans Franse

 

 

Het is alweer een aantal jaren geleden dat een groep ernstige mensen vanuit het Haags historisch museum zich op weg begaf naar het Noordeinde. Voorop ging een doedelzakspeler in een traag ritme. Ingetogen volgde men de wat nasale klanken over het Lange Voorhout. Het leek een ernstige processie en toch was het feestelijk: men ging een gedenksteen onthullen voor een van de internationaal meest bekende Nederlandse dichters uit het begin van de 16e eeuw. Het betrof de dichter Johannes Secundus Nicolai Hagiensis, die leefde van 1511 tot 1536. Slechts Jacques Perk had een korter leven en Hans Lodeizen werd net iets ouder.

We hadden over zijn tijd gepraat in een aan hem gewijde middag. Er waren bloemen bij een schilderij gezet en mooie madrigalen op zijn teksten gezongen. Er waren gedichten voorgelezen: zelfbewuste niet godsdienstige poëzie. Trins Snijders had voorgelezen uit zijn bundel BASIA (Kusjes), negentien korte beschrijvingen van zoenpartijen met zijn muze NEAERA, waarbij de kusjes, de witte borstkens, de tongen, de natte zoenen langs mijn oren paradeerden in een veelheid van vergelijkingen die door zijn collega Ianus Douza (Jan van der Does, ook een zestiende-eeuwer, destijds nog afgebeeld op een door mij verzamelde postzegel)) zo werden weergegeven.

Ten zijn geen kuskens,… welck mij Neaera biedt;
T’is zuijker, t’is kaneel, t’ zijn Indische muskaete:
Tis thijm, t’is Hemelbroot, t’zijn Grieckze honichraeten,
Zulck alsmen op d’Hymet’ of Hybla vloeijen ziet.

 

In de tijd dat Secundus schreef was de wereld ‘kleiner’ geworden, de mensen mondiger, een typische overgangstijd. Enerzijds golden de oude instituties, tezelfdertijd schudden die instituties op hun grondvesten. De uitvinding van de boekdrukkunst leidde ertoe dat men zelf de bronnen kon lezen en onderzoeken. Kennis kon worden gedeeld en verspreid: een grootse democratisering. Latijn was niet meer alleen voorbehouden aan geestelijken en ‘clercen’ maar was wijder verspreid, waardoor er ook een stroming ontstond die het oude klassieke Latijn wilde bestuderen en herschrijven, terug naar de puurheid. Het humanisme van Erasmus werd toonaangevend. Men verlatijnste de namen, men correspondeerde en studeerde, zoekend naar de oerversie van de ongezeefde bronnen. Het was de grote Renaissancistische drieslag: het kennen, cognitio, door studie, het volgen en imiteren van de klassieke voorbeelden, imitatio,  en vervolgens het overtreffen van de leermeesters: de aemulatio.
Ik had wel eens van de dichter gehoord toen ik bezig was met een koor de Carmine Catulli in te studeren: gedichten van Catullus, één van die oerbronnen, op muziek gezet door Carl Orff. Deze uiterst frivole Latijnse teksten vol lipjes, tongen en blanke borstjes uit de eerste eeuw voor Christus inspireerden ook de Haagse Ianus die als Catullus een muze had. Heette ze bij Catullus LESBIA bij Secundus treden er twee op: NEAERA en JULIA op wie deze ongetwijfeld in kuisere tijden als wulps overgekomen poëzie was geïnspireerd en gewijd. Ik kan mij tenminste niet voorstellen dat de smachtende Zwolse Rhijnvis Feith zijn Julia modelleerde op de Julia van Ianus Secundus.

Janus Secundus werd geboren als Jan Everaert, een van de 18 kinderen van de president van het Hof van Holland, Nicolaas Everaert, een trouw dienaar van de Heer der Nederlanden, Keizer Karel V.  Het moet een man zijn geweest die ernaar streefde zijn kinderen een maximale kans tot ontplooiing te bieden. Drie van zijn zoons Nicolaus Grudius, Hadriananus en Ianus bezochten een studieclubje waarin Latijn en Grieks werd bestudeerd. Alle drie studeerden rechten maar streefden ook naar een dichterlijke carrière.
Als eminent jurist kwam de vader in aanmerking voor de hoogste rechterlijke functie in de Nederlanden, president van de Hoge Raad, toen in Mechelen gevestigd. Daar onderhield Margaretha van Oostenrijk, de tante van de Heer, koning Keizer Karel V namens hem, als stadhouder, een luisterrijk cultureel Hof. De opgroeiende Jan /Ianus Secundus moet zich in de sfeer van dit Hof ontwikkeld hebben, hij ontmoette zijn Julia en schreef een deel van zijn Latijnse poëzie, waarbij Baci (Kusjes) beroemd werd. Hij schreef ook nog Elegieën (voor Julia), Odes en Epitaven. Mechelen was levendig en is nog steeds mooi, een oude hoofdstad van de Zeventien Verenigde Nederlanden, een vergeten ideaal.
De landvoogdes trok zich later als Marguerita van Savoye terug in wat haar bouwkundige zwanenzang kan worden genoemd, de mooiste flamboyant Vlaams-gotische kerk met klooster in Brou (Frankrijk, vlakbij Bourg-en-Bresse). Het complex bewijst iets van die grandeur. Ik heb er rondgelopen, vaak ontroerd: de schoonheid mede van de aanwezige museale collectie is groot, bijna overweldigend.

Ianus Secundus voltooide zijn studie in Bourges in het hertogdom Berry, een stad die een groots verleden uitstraalt. De wondermooie kathedraal en het huis van Jacques Coeur zijn er nog tekens van. Toen de pest uitbrak vluchtte Secundus uit de stad weg en zocht, evenals Boccacio, heil op het platteland. Hij schreef geen ‘Deçamerone’ zoals de in Certaldo begraven Italiaan, maar wel brieven. Hij leefde tussen de wijnvelden, in de buurt van de kastelen van de Loire. Hij moet in een landschap hebben rondgelopen zoals de gebroeders van Limburg dat hebben weergegeven in ‘Les très riches heures du duc de Berry’, het mooiste getijdeboek uit de herfsttij der middeleeuwen.

Afgestudeerd trad de jonge dichter in dienst bij de Spaanse edelman Juan Pardo de Tavera en trok met deze naar Toledo. Hij vond Spanje ruig en onontwikkeld, had het niet naar zijn zin en wilde terug. Bovendien werd hij ernstig ziek, waarschijnlijk een vorm van malaria. Hij wilde terug naar Mechelen, haalde die stad echter niet en overleed, zeer jong, in de buurt van Doornik (Tournai) in Henegouwen.

Het is dankzij J. Guépin die een magnus opus wijdde aan de nagedachtenis van Secundus (De kunst van Ianus Secundus, 1991)) en ook poëzie van hem vertaalde, dat er een hernieuwde aandacht kwam voor deze internationaal bekende dichter, volgens Guépin een van de grootste dichters van de wereld. Bij dat boek zit ook een CD met madrigalen op teksten van Secundus, die zich inderdaad uitstekend lenen om gezongen te worden. Net als de teksten van Catullus die Orff op muziek zette.
De bronnenstudie Drie dichtende broers uit 2000 geeft ook aan dat Secundus geen eendagsvlieg was. Het is ook wel ontroerend dat de twee overgebleven broers het werk van de jonggestorven broer ordenden en uitgaven, wat weer leidde tot vertalingen door Jan van Hout en Jan van der Does (de eerdergenoemde Ianus Douza). Ook de onthulde gevelsteen met het portret, de levensdata en een afbeelding van het onthulde schilderij aan het Haagse Noordeinde, geven eer aan deze jong gestorven dichter van Internationale allure. We zetten Ianus Secundus bij in de rij van grote Hagenaars, die de stad internationaal op de kaart zetten; bij Dirc Potter, Constantijn Huygens, Spinoza en Couperus.

 

afbeeldingen Hans Franse behalve het portret van Secundus (Wikipedia)

Geplaatst in Column.