Mattijs Deraedt – De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan

Geregisseerde woekering rondom mannelijkheid

door Kamiel Choi




Het predicaat mannelijkheid is in ons tijdsgewricht een schijnhuwelijk aangegaan met het adjectief toxisch. Een poëziebundel die probeert in kunstzinnige en precieze taal te beschrijven wat het betekent om een man te zijn in de jaren twintig van onze eeuw, klinkt daarom als een welkome afwisseling. De man hoeft zich in zo’n bundel niet te verdedigen, maar mag zich bezinnen op wat er te verdedigen valt: de mannelijke identiteit. Het is een onderwerp dat in tijden van de #metoo-beweging unzeitgemäß aandoet, maar de Brusselse debutant Mattijs Deraedt durfde dit onderwerp aan.

Mattijs Deraedt is geboren in 1993 en was lid van het Lettertype Collectief tussen 2016 en 2019, onder leiding van de Letterzetter van Kortrijk. Hij was actief in het poetry slam-circuit en won verschillende prijzen in onder andere de Soet en de Jotie T’Hooft poëziewedstrijden. Hij studeerde in 2016 af in de richting schrijven aan het RITCS in Brussel. Momenteel is hij als poëzieredacteur verbonden aan het tijdschrift Kluger Hans. Ook publiceerde hij reeds poëzie in Meander, Het Liegend Konijn, De Revisor, Deus Ex Machina, Poëziekrant, Tirade en Extaze, dus dit debuut komt niet uit de lucht vallen.

Op het omslag prijkt een intrigerend bebloed gewei dat aan een haak hangt. Het betreft een kunstwerk van Berlinde De Bruyckere getiteld ‘Romeu, my deer IV’ uit het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst te Gent. Het gewei staat symbool voor de kracht en agressie, maar ook voor de identiteit van een hertenbok, dus de thematiek van de bundel is direct duidelijk.

De bundel De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan opent met een citaat van de Engelse schrijver, kunstenaar, TV en filmmaker Grayson Perry. De strekking daarvan is dat mannen pas als ze hun eigen mannelijkheid doorzien zich als echte mannen kunnen gedragen. Er is een soort gouverneur in hun hoofd die instructies geeft volgens de regels van het ‘Department of Masculinity’. Mannen kunnen zich pas tot hun eigen mannelijkheid gaan verhouden wanneer zij deze regels goed hebben begrepen. Deze bundel is een persoonlijke beschrijving van die regels.

De eerste afdeling heeft Belgische plaatsnamen als gedichttitels, waarin de auteur de troosteloosheid beschrijft, en thema’s als keken en bekeken worden en onzekerheid. De raadselachtige titel van de bundel komt hier terug:

Er zijn geen miljoenen jaren
van uitgestrekt niets na je laatste adem.
Er is alleen de schaduw van wat
zo graag in de zon was blijven staan.

Raadselachtig: iets dat niet meer in de zon staat werpt ook geen natuurlijke schaduw meer. De schaduw is dus overdrachtelijk (later in de bundel wordt de metafoor van een echo gebruikt). De eerste afdeling beschrijft dus de ‘condition humaine’ vanuit het perspectief van een 21e-eeuwse jonge man. Hij doet eerste pogingen om de mannelijkheid poëtisch te vatten, zoals in ‘Leuven’:

De mensen hier roeien nergens naartoe.
Integendeel, met elke ruk aan het handvat
boren ze zich dieper in het parket.
De spiegels zijn gebold, daarom keren de mannen
zo graag terug en trappen de vrouwen zwetend in het rond.

De doelloosheid van het bestaan wordt aanvaard, ik denk zelfs omarmd:‘Het voelt alsof ik elk moment / het heelal kan intuimelen.’

De tweede afdeling ‘je hoeft me niets te vertellen’ gaat over de geliefde, ruzie, machteloze woede: ‘Wie of wat dwingt me mijn vuist te breken / op een rolluik wanneer we ’s nachts / ons huis verliezen?’
De afdeling eindigt met zwijgend bij elkaar zitten. Zij hoeft hém niets te vertellen, maar wat wil hij háár vertellen?

In de afdeling ‘Pantser’ beschrijft Deraedt de verdedigingsmechanismen die mannen schijnbaar hebben. Het leven begint al onder erbarmelijke omstandigheden: ‘Zodra we uit onze moeders vallen, / schemert de dood door onze huid.’
In het gedicht ‘schedel’ komt de gedachte tot uitdrukking dat mannen hun emoties niet delen: ‘Ik wou dat ik je kon opbellen / en vertellen waarover ik heb gedroomd. / Maar dat doen mannen niet.’
Toch vat de dichter in deze afdeling wel de moed op, zijn eigen emoties uit te spreken: ‘Ik ben een ijsvogel / met een mist in mijn borst.’ De ijsvogel staat voor doelgerichtheid, maar bij de mannelijkheid die Deraedt beschrijft is er een troebeling, het doel is onduidelijk. Er is bezinning nodig over de kern van de mannelijke identiteit, die is niet afhankelijk van een bepaald masculien narratief, die is gewoon. Dit komt naar mijn idee goed tot uitdrukking in het gedicht ‘Dordrecht’ dat als volgt begint:

De telefoon rinkelt in mijn hotelkamer.
Ik neem op. ‘Met de receptie.
Bent u meneer Deraedt?’
‘Ja.’ ‘Dan is alles in orde.’

Het gedicht gaat dan nog verder, dat had wat mij betreft niet gehoeven.

De vierde afdeling ‘ik ben geen premiejager’ opent met: ‘Wat je moet weten voor je beslist om een een man te zijn’ waarin de auteur directer over mannelijkheid spreekt. Zo zal een echte man ‘tongzoenen met het hiphopmeisje’ in de trein, en is hij ‘kanonnenvlees’ met een mond in de vorm van een loop. Psychedelische metaforen die voor mij een beetje te veel van het goede zijn. Er wordt in deze afdeling jacht gemaakt op vrouwen, getript, gedronken met een Noor, en er is een gedicht waarin iedere regel eindigt met het woord ‘motherfuckers’. Maar al die macho-identificatiefiguren lossen het probleem van de mannelijke identiteit niet op: ‘Wij zijn echo’s van echo’s van mannen.’

Deraedt werkt met een keur aan fantasievolle beelden die voor mij niet altijd werken. Een kleine keuze: ‘parachutisten als ogen’, ‘aan echolocatie heeft een blinde hier niets’, ‘Een wolk drijft voorbij, olie druipt / en likt gulzig aan achillespezen.’ Of ‘Onder elk gezicht groeit een ander / en in elk kattenhaar gaat een lichtjaar schuil.’ Het zijn wel degelijk sterke beelden, maar ik vrees dat overdaad hier schaadt.

Deze bundel is een zorgvuldig geregisseerde woekering van beelden, die zeker zijn merites heeft. Soms komt het op mij iets te kunstmatig over (‘Maar eerst moet ik op zoek naar een beitel. / De schaduw van mijn voorvaders weegt een ton.’). De pointes van de gedichten zijn niet altijd even sterk, maar een lezer die een beetje de moeite doet mag van deze bundel zeker een interessante beschrijving van het masculiene in de eenentwintigste eeuw verwachten.
____

Mattijs Deraedt (2020). De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan. Uitgeverij PoëzieCentrum, 80 blz. € 20,00. ISBN 9789056554088

Geplaatst in Recensies.