“Het is tijd voor een radicale transformatie.”

Van de Amerikaanse dichteres Heather Christle (1980, New Hampshire) verscheen in juni bij Atlas/Contact Het boek der tranen, een boeiend werk over de fysieke, culturele en politieke aspecten van menselijk huilgedrag. Sander de Vaan sprak met haar over haar boek, waarin onder anderen ook de Nederlandse performancekunstenaar Bas Jan Ader aan bod komt.

 

foto Christopher DeWeese

Heather, waarom heb je Het boek der tranen geschreven?
Ik bedacht dat het interessant zou zijn om een ​​kaart te maken van alle plaatsen waar ik ooit had gehuild. Ik deelde die gedachte met vrienden, wat leidde tot een aantal fascinerende gesprekken over hun eigen huilgedrag. Vervolgens begon ik met schrijven, maar ik besefte al gauw dat ik veel niet begreep. En dus ging ik op onderzoek uit en las over de biochemie van tranen, historische overtuigingen over huilen en de verschillende manieren waarop tranen van mensen worden ‘gelezen’ en ontvangen. Hierdoor merkte ik weer allerlei andere patronen op – motieven rond verdriet, zwaartekracht, de maan, ras, moederschap, olifanten – en de door dit alles gevormde constellatie scheen zó helder dat het wel een heel boek moest worden.

In heel wat samenlevingen is huilen in het openbaar een taboe, of op z’n minst een teken van zwakte. Wat zou je zeggen tegen mensen die op deze manier over huilen denken?
Het is een beetje een cliché dat huilen in feite een teken van kracht is, een verklaring die meestal tot mannen is gericht, om hen aan te moedigen hun tranen de vrije loop te laten. Maar zelfs in dit tegengaan wordt aangenomen dat zwakte een probleem is. Het etaleren van zwakte kan een probleem zijn – zoals wanneer blanke vrouwen aspecten van hun vrouwelijke identiteit gebruiken om anderen (vaak zwarte mannen) schade te berokkenen – maar in wezen is zwakte gewoon een feit in het leven. [red. Christle doelt op de video van een blanke/witte hondenbezitter die bij de alarmdienst suggereert dat een zwarte man haar lastigvalt.]
Mensen kunnen niet eindeloos sterk zijn. En het etaleren van kracht, wanneer mensen echt een noodsignaal van tranen moeten uitzenden, een signaal dat ze de zorg van een ander nodig hebben, kan verwoestend zijn. Ik moedig mensen aan om de metafoor van kracht en zwakte opzij te zetten en in plaats daarvan directer te kijken waar behoefte aan zorg kan bestaan.

Wanneer heb je voor het laatst gehuild?
Gisteren, omdat ik doodop was. Slaapgebrek is en blijft een belangrijke trigger voor mij.

Ben je na het schrijven van het boek meer of juist minder gaan huilen?
Ik denk niet dat ik nu meer of minder huil, maar ik begrijp wél meer van alles wat er in mijn lichaam gebeurt, in de verschillende systemen die ik bewoon, zodat ik soms in staat ben om anders, meer bewust te huilen, zelfs als de tranen gewoon blijven vloeien.

Je merkt in je boek op dat we ons vaak zeer ongemakkelijk voelen wanneer we onze moeder of vader (of allebei) zien huilen… Waarom is dat?
Ik dacht daar specifiek over vanuit het standpunt van een kind. Voor een volwassene zijn de tranen van iemands ouders, denk ik, niet zo verontrustend. Maar kinderen zijn er zo aan gewend om de huiler te zijn. Voor hen is een ouder de bron van troost. Dan kan het moeilijk zijn om die rollen om te draaien. Ik herinner me dat ik als kind dacht dat de situatie echt hopeloos slecht moest zijn wanneer mijn moeder huilde. Dat is trouwens geen aanbeveling om niet voor kinderen te huilen! Er zijn zoveel manieren om te huilen en om je ouderschap uit te oefenen. Er zijn zoveel variabelen, dat ik uiterst terughoudend ben om een algemeen oordeel over dit gedrag te geven.

De VS beleven moeilijke tijden, vanwege de dood van onschuldige mensen en de opstanden in meerdere steden. We hebben heel wat tranen op tv gezien. Denk je dat dit het begin van een betere toekomst kan betekenen?
Dat moet wel. We kunnen niet zo doorgaan. En ik wil hieraan toevoegen dat onschuld niet het vereiste kenmerk mag zijn voor zwarte mensen om niet gedood te worden. Leven, mens zijn – dat is meer dan voldoende én heel kostbaar. Dit is een hele droeve tijd, van grote woede en ook van enorme mogelijkheden. Afschaffing van de politie zou al een goede stap zijn. We moeten verder ook helemaal afrekenen met racisme en alle bijbehorende systemen die op alle niveaus in het leven van mensen doordringen. Het is tijd voor een afrekening en een radicale transformatie.

Maar wie kun je bellen als de politie is afgeschaft en je geconfronteerd wordt met een gewelddadige noodsituatie, zoals verkrachting, een overval of mishandeling?
Ten eerste is het belangrijk om te begrijpen dat dergelijke taken maar een klein deel uitmaken van wat de politie feitelijk doet. De politie afschaffen betekent dat ze scholen verlaten waar ze kinderen criminaliseren, dat ze gemeenschappen bevrijden van racistische ‘gebroken ruiten’-praktijken, dat ze stoppen met het intimideren van daklozen en vooral dat ze ervoor zorgen dat politiemensen geen moorden meer plegen.
Afschaffing betekent niet alleen dat je de politie van de hand doet; het betekent dat je hun financiering verschuift naar programma’s om daadwerkelijk de veelheid aan problemen aan te pakken die de VS momenteel criminaliseert. Dus in plaats van geld uit te geven aan een meer en meer gemilitariseerde politie, kunnen we beter investeren in zaken als onderwijs, geestelijke gezondheidszorg (inclusief behandeling, en dus geen straf, van verslaafden) en voedsel voor de hongerigen. Gemeenschappen hebben misschien speciaal opgeleide mensen nodig om te reageren op gewelddadige noodsituaties, maar ik zie geen reden waarom dat de politie zou moeten zijn, die zélf een bron van geweld is.

Je noemt in je boek meerdere malen de Nederlandse performancekunstenaar Bas Jan Ader. Wat trekt je vooral aan in zijn werk?
Ik ben betoverd door zijn combinatie van verdriet en humor, door de nederigheid van zijn val en door wat ik als zijn tederheid beschouw. Ik wou dat meer mannen zo’n tederheid aan de wereld konden tonen.

De wereld kan duidelijk meer tederheid gebruiken, maar je zou ook kunnen denken dat Bas Jan naïef was, toen hij in een minuscuul bootje van de VS naar Europa wilde varen en voorgoed verdween. Wordt zijn tederheid hierdoor niet overschaduwd door naïviteit?
Door zijn dood blijft zijn laatste werk ondoorgrondelijk voor mij. De risico’s namen bij zijn laatste voorstelling dermate toe dat ik die niet in dezelfde mentale ruimte kan plaatsen als toen hij al fietsend in een kanaal belandde. Hermione Lee schreef over het gevaar dat een biograaf de dood van zijn/haar subject te uitvoerig kan interpreteren. In plaats daarvan zou het volgens haar beter zijn om het te lezen ‘zoals het misschien gelezen moet worden: zonder inhoud, als het volgende feit in een reeks feiten.’ Aders acties verdoezelden de grens tussen inhoud en feit, en creëerden een onzekere ruimte waarin ik zelf geen houvast kan vinden.

Je schrijft dat wanneer men op een foto van een huilend persoon de tranen wegwerkt, het moeilijk wordt om te bepalen of hij/zij huilt of lacht. Hebben deze twee gemoedstoestanden meer met elkaar gemeen dan wij denken?
Met bepaalde vormen van lachen zeker! Vreemd genoeg lacht men vaak niet omdat iets grappig is, maar omdat de een de ander wil duidelijk maken dat alles – op een bepaald niveau – in orde is. Tranen geven juist het tegenovergestelde aan, dat de huiler niet meer verder kan, wat er ook gebeurt.
Maar het gelach dat dieper reikt, het soort lach waarin je zelf als het ware helemaal opgaat, dat voelt uiteindelijk heel erg als huilen. In dat geval, in die werkelijke volledigheid, kan de grens tussen beide vervagen.

Die grenzeloze ruimte tussen een groot verdriet en heel erg lachen lijkt een vruchtbaar terrein voor poëzie. Heb je ooit geprobeerd om dat in een gedicht te vangen?
Ik merk vaak dat ik die grenzeloze ruimte binnenga als ik gedichten schrijf, en ik vermoed dat – wanneer het gedicht echt is, wanneer ik er werkelijk helemaal in zit – lachen én huilen verder gaan dan een reactie op inhoud en dat ze tot een vreemd besef van absurditeit, schoonheid en terreur leiden.
Het is echter geen ruimte die ik in een gedicht of in iets anders denk te kunnen vangen. Ik moet in zekere zin die ruimte wórden: een ruimte waar woorden – als ik er goed genoeg naar kan luisteren om ze op te schrijven – mij in staat stellen om in op te lossen. En in dat geval zal het gedicht aan de andere kant van dit proces resten van dat oplossen bevatten.

Met welk gedicht zou je jezelf aan het Nederlandse en Belgische publiek willen voorstellen?
Met een gedicht uit mijn bundel What Is Amazing, die in 2012 uitkwam. Ik kies voor deze tekst omdat het vreugde bevat en omdat het mensen toont die overvloedig sociaal zijn, iets wat ik momenteel mis…

 

People Are a Living Structure Like a Coral Reef

People love to clean their ears and I love people
very much They are everywhere! Every single
thing I love I love for windows only and if
one window reflects another then friends
for me it’s all over And in the windows are trees
and in the windows are people What are they even doing
with their hunger and in their new shirts They are
taking care of themselves and they are taking each other out
for lunch Oh even the rain has to love them People
are just too attractive! and the rain places itself
on the window in order to be closer to the people
the ones who are eating The ones who are
busting out vigor Oh people You have to love
people They are so much like ourselves
Geplaatst in Interviews.