Luc Vanhie – Een bedelnap in het behang

‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’

door Hans Franse




Als er een uitgave van de Leuvense uitgeverij P op mijn schrijftafel verschijnt, weet ik dat er altijd iets interessants voor me ligt. Ik weet ook dat er werk te doen is; deze uitgeverij kiest niet voor de gemakkelijkste poëzie. Vaak ga je op avontuur met de bundels, is het een leeservaring, één keer lezen is nooit genoeg. Vaak ook verdwijnen we in letterkundige labyrinten, onbekende landen of (voor mij) onbekende dichters. De Vlaamse dichterswereld mag blij zijn met een dergelijke uitgeverij.
Deze keer een bundel van Luc Vanhie (Izeghem, 1952). Hij studeerde economie en filosofie en debuteerde in 1981 met de bundel Verwijdering, waarna hij toen in drie jaar tijd ook drie bundels publiceerde. Avondlijk uit 1983 was de laatste van deze drie. Daarna viel er een diepe stilte. Pas in 2014, na een pauze dus van meer dan dertig jaar, verscheen er weer een nieuwe bundel van deze Vlaamse poëet: Landschap met komma, waarna de dichtader weer vloeide. Er verscheen een bundel in 2015 Littekens en in 2017 Het klavier van de slak.
In 2019 verscheen de hier te bespreken bundel met de intrigerende titel Een bedelnap in het behang. De schrijver koos een motto uit de Ilias: ‘Als jij naar hartenlust verzadigd bent / van wijn en voedsel, zeg me dan vanwaar / je komt vertel me ook de tegenslagen / die jij tot nu zoal verwerken moest.’ Het is geen uitbundige poëzie, eerder verstild. Het zijn geen lange gedichten. Sommige doen zelfs denken aan een haiku, meer door de sfeer dan door de vorm. Er lijkt veel geschrapt te zijn voordat ze op papier terechtkwamen. Er zit iets onvervulds in, soms iets dreigends. In sommige gedichten wordt teruggegrepen op klassieke beelden: de Trojaanse oorlog en Ithaca, wat terugslaat op het motto van Homerus. De mens is een zwerver als Odysseus die rondtrekt met ‘een bedelnap op zoek naar een gleuf in de wereld’, die sinds die tijd zwerft op zoek naar een mogelijke lente. De beeldspraken en metaforen zijn niet altijd bevattelijk, maar fascineren en intrigeren wel. Een in poëzie geïnteresseerde lezer blijft lezen met het verstand, maar geniet intussen van de mooie poëzie, die duidelijk in het onderbewuste doorwerkt: hoofd en hart dus. Geen van de gedichten heeft een titel. Er is wel een grote innerlijke samenhang door bepaalde woorden, door verwijzingen: naar zwerven, naar zee, naar de Trojaanse oorlog, naar eenzaamheid. Ondanks die samenhang vind ik het geen cyclus.
Het kleine openingsgedicht is van een Gorteriaanse volheid, de sfeer van een avond aan zee:

Het vallen van de avond vult een lege schelp met luwte
en wijnrode rotsen blaken van zachtmoedigheid.

De aarde lijkt van niemand, de maan
een ver gelaat dat als een schim op streling aast.

Het is het moment dat ik op mijn Scheveningse strand ervaar tussen licht en donker. Zijn er echt wijnrode rotsen of zijn het de -door de bijna in zee gezakte zon- gekleurde wolken aan de horizon? De laatste wanhopige momenten van het licht terwijl de maan al zichtbaar klaar staat om als het strand van niemand is en de duisternis valt haar romantische werk te doen.

Ook in het gedicht op pag. 29 is er sprake van een kust, van een zwerver die de zee ruikt (let op de alliteratie) en vanaf het strand de lichtjes van de bewoonde wereld ziet. Hij kijkt rond, wendt zich af van de stad, kijkt naar boven om de sterren te tellen. Hier begon het zegt de zwerver (Odysseus?), toen en nu waren de sterren hetzelfde als bij het begin van de Trojaanse oorlog. De laatste regel van het gedicht vraagt dan weer veel meer. Ik laat het aan de lezers over deze te duiden. Is het een beeldspraak, een verwijzing, is het een oprechte mening? Een conclusie? Poëzie lezen is een proces van een actieve lezer:

De vallei vervalt in diepe slaap.
Wie zwerft en zich verzoend heeft
met het zeil van zeelucht,
met een nacht die grenst aan een veelvoud van verlichte steden,
licht het anker van zijn eeuwig rondkijkende blik
en telt de sterren even talrijk
als de vloot
die vanuit Griekenland
het beleg van Troje ondernam.
Op overtuiging staat geen maat.

Toen ik het gedicht las op pag. 27 (titels zijn er immers niet) werd ik ineens getroffen door een woord en een regel die mij aan het denken zette:

De kano schuift langzaam
als de onontkoombare gestalte van een stiller wordend uur.
Stenen zetten zich schrap en
plooiend water spiegelt zich in een speelse zeefdruk van de wind.

Een bergpas en een richel langs de rots.
Een vallei met bloemen, een steppe met oneindig gras.

Een reiziger, met een bedelnap op zoek naar een gleuf in het bestaan,
naar een bemande ochtend,
naar een plek in het geheugen waar het woord zijn ballingschap verbrak.

Wie denkt niet onmiddellijk aan het schitterende gedicht van Paul van Ostaijen ‘Melopee‘? Ik heb het gevoel dat in dit gedicht de essentie van de bundel zit. Een natuurbeschrijving die gekoppeld wordt aan de reiziger ‘met een bedelnap op zoek naar een gleuf in het bestaan’. Hij wil zijn bijdrage uit zijn bedelnap, de indrukken van schoonheid en eenzaamheid, inbrengen in zijn leven. De beeldspraak verwijst naar de gleuf in een collectebus, de ochtend kan weer menselijk worden, terwijl de dichter op een metafysische manier zijn nieuwe woorden ordent die zo lang in ballingschap waren.

Na het lezen van dit kleine meesterwerkje heb ik nog eens de publicatie van Paul van Ostaijen doorgelezen, die de Gebruiksaanwijzing der lyriek heet en in 1925 en 1926 als lezing gehouden werd te Brussel en Antwerpen. Van Ostaijen reflecteert op het woord dat autonoom in een zin staat, waarin dat ene woord in een metafysisch verband staat met het andere. Ik had bij het lezen van de bundel van Luc Vanhie ineens het gevoel dat ik in het Vlaamse literaire erfgoed was beland. Ook bij deze dichter is er het woord, dat in verband met het andere een transcendente lading krijgt. Goed lezen laat wel een realiteit zien; er zijn natuurbeschrijvingen en beeldspraken die minder autonoom zijn dan de laatste lyrische poëzie van zijn grote Vlaamse collega. Er is echter ook een groot verband: deze poëzie zou zonder de jong gestorven voorganger anders zijn geweest. Laten we blij zijn dat er zoveel moois bloeit in de eenheid van onze taal. Als een soort eerbetoon heb ik deze recensie de titel van Van Ostaijens lezing gegeven. Het was en is een leesavontuur geweest. Schaf de bundel aan en geniet mee.
____
Luc Vanhie (2019). Een bedelnap in het behang. Uitgeverij P, 60 blz. € 17,00. ISBN 9789493138032

Geplaatst in Recensies.