Tijs van Bragt – Bonterik Sterrenzager

Poëzie die zich naar boven graaft

door Paul Roelofsen




Weinig kietelt mijn nieuwsgierigheid zozeer als de titel van een bundel waarin deze iets oproept wat ik niet thuis kan brengen. Bonterik? Sterrenzager? Van Dale en de Taalunie geven geen uitsluitsel (Ik sta dus niet alleen). De dichter laat de betekenis(sen) over aan de verbeelding van de lezer. Ik sta dus toch alleen. Het motto van de bundel is wel helder en bovendien van een mysterieuze schoonheid:

Ik heb dit gemaakt
met een bot mes en een houten hamer
om de onheelbare wonden
en het formaat der builen
om wat ik van de liefde weet.

Het is een zin uit het gedicht ‘Om wat ik van de liefde weet’ van Koos Schuur (1915 – 1995). Deze schrijver herinner ik mij van het gedicht ‘November’ waarin hij op kloeke maar ingetogen wijze het boerenlandschap van Groningen bezingt en waarin ‘bonterik’ en ‘sterrenzager’, zo het bestaande woorden waren zeker zouden hebben gepast. Bij het vluchtig doorbladeren van de bundel vallen behalve meerdere aansprekende neologismen – klapperbek, geeuwbloesem – nog enkele bijzonderheden op: geen inhoudsopgave, geen enkel gegeven over de dichter, verzen met en zonder titel en in de cyclus ‘Als Zygote begonnen’ wordt de nummering van de afzonderlijke gedichten aangegeven met gedachtestreepjes. Wat daarnaast in het oog springt is dat de dichter, evenals Koos Schuur, waar Van Bragt een IM-gedicht aan wijdt, ruime aandacht schenkt aan het landschappelijke – het water, de aarde, de vogels, de planten.

Een lente

eerste tekenen:
littekens die een land aangroeien
het uiteenslaan van grond

takken die halfnat uit het water kijken
de onnozele halzen van je afgekeerd

waartoe behoor jij
god van beneden, stokebrand van water

in de avondval een bokkende mus
en paardenwachtertje gesignaleerd

over de vogelstand niets te klagen
waren zo maar alle dagen
opgenomen in de hemelvaart

vleugelslags
tussen het riet omhoog

Een tere impressie van de lente zonder regels en woorden die tot diepgaand onderzoek noden. Niets wat ontregelt, gewoon iets om zorgeloos van te genieten; ‘takken die halfnat uit het water kijken / de onnozele halzen van je afgekeerd’, zo’n zin kan een somber humeur op slag doen omslaan. Ik tref meer van zulke geslaagde gedichten aan en ook welke voor een deel dit niveau halen of waarvan enkele zinnen dit doen: ‘nu sprak vader o zwijgende moeder / wartaal van water van liefde van glas’ en ‘een dichter reist om achter te blijven / hij weet van schaamte,
mankement’. De laatste zin komt uit het gedicht ‘Kruisbestuiving’ en relateert aan wat ik eerder bij Van Bragt signaleerde, namelijk dat hij na het schrijven van een gedicht de strekking ervan in hoge mate aan de lezer overlaat. Het volgende gedichtje bijvoorbeeld kan voor de een wereld van schoonheid oproepen, voor de ander slechts een vraagteken.

ik kijk naar jou, een ziel
die nergens meer naar op weg is
hoe de wind over je lichaam trekt – je plat duwt
en hoe jij tegenwicht biedt
naar boven daar boven moet je zijn
ik kan zitten en kijken
je aaien zolang het duurt
o glanzend oogje
breed schokkend je vleugels, juveniel kleed van dons
ga, ga
en ejaculeer je toegift tot een wolk

De bundel bevat naast deze ogenschijnlijk lichte lyriek, gedichten die weliswaar naar buiten zijn gericht maar waar diep graafwerk aan vooraf is gegaan, soms op het (quasi?) filosofische af. Uit het gedicht zonder titel op bladzijde 41: ‘(…) ik ontstond in beweging en zal mij / de beweging ontnemen // mijn vuile mens-zijn is voorbij / het zal voor een ander zijn (…)’. Soms wil Van Bragt in een gedicht m.i. te veel zeggen waardoor het onsamenhangend wordt zoals in het vers op bladzijde 46 dat begint met de problemen van een enig kind gevolgd door een beschouwing van het eigen lijf (‘er loopt een naad tussen mijn kloten / en mijn kruin / als het loslaat val ik in twee gelijke delen uiteen’) om hierna over te gaan op de erkenning van ‘Jahweh’ terwijl ‘onderweg naar de rivier / waar ik als jongen / zaad uit mijn navel waste’.
Interessante thema’s om afzonderlijk uit te werken, maar teveel in in één gedicht.

Het meest boeiende vind ik de aparte afdeling ‘Veldnotities’. In twee cycli gaat de dichter geheel op in het landschap wat tot schitterende in- en vergezichten leidt. Het openingsgedicht uit de eerste cyclus:

er zij veel manieren waarop je een lichaam achter kunt laten
net als geboortegrond

wie haalde met eigen handen klei boven
en wie kwam er hier uit het water?

een vogel bidt tegen de luchtstroom
in het eerste kroos onttrekt zich opnieuw uit zichzelf en weer

trekt het kroos de sloot dicht ben ik de biddende vogel
die eeuwig en dwars op zijn plaats lijkt te blijven?

eeuwig is de sloot en de wind draait

Poëzie die met grote aandacht is geschreven en die met dezelfde aandacht dient te worden gelezen. Wie dat doet wordt rijkelijk beloond.
____

Tijs van Bragt (2019). Bonterik Sterrenzager. De Kaneelfabriek, 56 blz. € 16,75. ISBN 9789083011943

Geplaatst in Recensies.