Alfred Schaffer – Wie was ik. Strafregels

De impromptu’s van een vreemdeling

door Johan Reijmerink




Alfred Schaffer is een belangrijk Nederlandse dichter, zoon van een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader, momenteel werkzaam aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika. Alles in zijn leven wijst erop dat hij zich een vreemdeling zou kunnen voelen in zijn eigen taal en cultuur, zonder dat hij zich een onthechte vreemdeling voelt, zoals Meursault in de gelijknamige roman (1949) van Albert Camus. Als relatieve buitenstaander is Schaffer beter in staat om van buitenaf in onze samenleving te kijken. Zodoende is zijn blik anders dan van de gemiddelde Nederlandse dichter. Daarom is het interessant om bij hem te lezen hoe we met onze waarden omgaan naar de mensen toe met een andere culturele achtergrond.

Schaffer schrijft strafregels in zijn nieuwe bundel Wie was ik. Strafregels (2020), omdat hij zichzelf heeft opgelegd om te achterhalen wie hij was, en waarom hij zich opstelde in dit witte land zoals hij tot nu toe deed. Voor hem zijn deze gedichten een manier om zich niet alleen te bevrijden van zijn misplaatste schroom, maar bovenal van valse bescheidenheid. Hij mijdt de valkuil van het zelfbeklag en verlangt naar gelijkwaardigheid. Zoals Stefan Hertmans in zijn essay Esthetica als serviceclub (2011) schrijft, dient elke dichter zijn onafhankelijkheid te bewaren om kritisch tegen de stroom in te kunnen gaan en het werkelijk nieuwe te verbeelden: ‘Laat hem volhouden dat hij die werkelijkheid anders kan definiëren, tegen de illusies van het schijnrealisme in.’

Schaffer heeft zich voluit in die geëngageerde positie gezet. Zijn bundel draagt door de persoonlijke mailberichten die hij van anonieme schrijvers opneemt, en allerlei berichten en ervaringen van schrijvers die hem hebben aangesproken, een sterk provisorisch karakter. De associatie, de spreektaal, het dagelijks leven, de wereld van de maskerade zijn facetten van zijn poëtische werkelijkheid. Niet voor niets zijn er de hele bundel door nogal wat gedichten getiteld ‘Impromptu’s’, tussen haken geplaatst. Ze lezen als commentaren op de wereld van hier en nu. In het algemeen betekent impromptu iets wat voor de vuist weg is gemaakt, en een snel opgevatte zinrijke gedachte bevat, maar zo lukraak zijn deze teksten niet.

Tegelijkertijd is naast de nieuwe bundel de derde Hans Groenewegen-lezing Op de rug gezien (2020) verschenen. Daarin zoekt Schaffer zich een weg naar een eigen poëtica. Hij voelt diep in zich de behoefte en de noodzaak om zich over de werkelijkheid lyrisch en poëtisch uit te spreken en haar te duiden: ‘okay u speelt een mens die zijn dode omgeving leven / in wil blazen, in feite zijn bloedeigen moeder, in de vorm van / een praatje, een podcast die u presenteert’. Er schuilt een sterk verlangen naar politiek-maatschappelijke betrokkenheid door de druk op te voeren ‘met een woord als een vuurpijl’. In die zin is deze bundel een wake up call voor de wereld, voor de poëzielezer, voor de wereld van de poëzie. Ken je verantwoordelijkheid in deze wereld van verraad en loyaliteit!

Op diverse plaatsen in de bundel verwijst Schaffer naar zijn jonge jaren op het eiland: ‘Ik wist alles al hoe wij waren veroverd gedrild en verdeeld, / hoe je cocktails moest maken wondjes genezen domino spelen’. Er komt veel boven in zijn herinnering waarover hij zich verbaast. In allerlei herinneringsflarden trekt de ik het verleden naar zich toe. Veel lange titels vertellen op zich al een verhaal van miskenning, zwijgen en verhulde discriminatie, zoals in het gedicht ‘Nos tata’:

ben ik uw evenbeeld schenk mij
de kalmte te aanvaarden wat ik niet aanvaarden kan
dan schenk ik u vergeving.
(…)
het dagelijks leven is een muizenval – ben ik het blokje kaas?
eerste les ik ben dat blokje kaas rijmt in het nederlands op aas.
(…)
ook al weet ik op de tast de deur te vinden
naar mijn vroegste coördinaten
als ik groen kan uitslaan ben ik geen vooruitgang – tweede les,
zoals de slavernij niet leidde tot het einde van de slavernij
maar tot een groepje voorouders dat elke nacht opnieuw
de wirwar van plantages blijft ontvluchten.

Heel veelzeggend in zijn visie op racisme en discriminatie is Schaffer in het kleine gedicht ‘Tijd dag plaats – mensen wat een drama’. Hij laat met de metafoor van de bromvlieg heel treffend zien hoe de verhoudingen tussen wit, zwart, bruin en geel ervoor staan:

Ik weet wel wat de bromvlieg drijft
Die continu tegen mijn vensterraam blijft vliegen.

Zijn geblokte bewegingen.
Een kleine zwarte held die lak heeft aan censuur.

Het is zo lang geleden allemaal.

Ik hoop dat hij snel vrijkomt.

De ik verplaatst zich langdurig in de rol van een meisje dat weinig ruimte inneemt en zichzelf vervreemdend ziet. Hij stelt zich voor in de rol van leerling-verpleegster een Nederlands ziekenhuis binnen te komen en bereid ‘[de opleiding tot verpleegster die 3½ jaar duurt, te volgen, (…) // ik stapte uit en opeens was ik zwart in de ijzige herfst / en drie koppen kleiner, mijn eerste taal had ik in bruikleen / mijn tweede taal hield ik voor noodgevallen achter de hand. // ik sprak als ik zin had in tongen of als in de boeken en kranten. / ik sprak als de radio, een beetje als nu dat was mijn vermomming.] [houdt u dit vast we moeten er snel even uit voor de reclame.]’

Schaffer is voortdurend bezig zijn geheugen op te frissen: hoe zat het nu ook al weer, toen ik mij bewust werd van mijn anders zijn in dit toen nog witte land, zoals in het gedicht ‘Wat kan ik mij herinneren’: ‘nederland was een vakantieland binnen het koninkrijk der nederlanden / het verkeerde in zo’n staat dat ik er amper raad mee wist.’ In dit uitgebreide gedicht weet Schaffer op een overtuigende wijze als vreemdeling naar binnen te kijken via de rol van de verpleegster: ‘Ik functioneerde eersteklas in zwart en wit en in zwartwit genoot ik / van het tijdverschil, (…) – wie ziek is / schrikt niet van een beetje dienstbaarheid die riep gewoon / wat ben jij zwart, dan antwoord je: zegt u maar u zegt u maar eens aaaa / ik kom u redden met uw welnemen.’ Mooi om te lezen hoe de dichter hier in subtiele bewoordingen zicht geeft op de eigen positie en om de directheid van de patiënt in nood heen manoeuvreert. Ondertussen wringt het zwart-witte verschil nog altijd.

Langzamerhand treedt er een ongemakkelijke gewenning bij de ik in, maar telkens blijkt weer dat de ‘maskerade was mislukt, een fiasco wellicht’, zeker als we lezen hoe een keer een vrouw de ik toefluisterde: ‘u // mag mij niet verzorgen uw handen geven af (…) / (…), blijf met uw gore poten / van mij af zwarte hoer ga lekker bomen klimmen in de rimboe.’ Het roept reacties op om in ‘mijn zwarte camouflagepak‘ naar buiten te gaan en ‘als een gek‘ terug te zwemmen ‘naar wat ik ooit heb gekend.’

Door al deze ervaringen groeit het levensgevoel: ‘niet meer weten of ik iemand ben die leeft of overleeft.’ Schaffer verleidt ons kennis te nemen van ‘goed en kwaad in chocoladekapitalen’. Humor en ironie ontbreken niet in de keuze van titels en teksten: ‘Hemel of sprookjesland – hun inwisselbare interieurs hun unieke ligging hun verlammende werking praten of bewegen kost grote moeite’.

Schaffer beschikt over een rijk scala aan metaforen en anekdotes waarin hij zijn kritische en lyrische boodschap opbergt. Op temperamentvolle wijze biedt hij zijn liefde aan in temperamentvolle ‘zwarte-witte openluchtmusicals’, maar wie wil die liefde aanvaarden. Als dan niemand haar wil aanvaarden, ze is in ieder geval ‘een bericht aan mijzelf’. Hij is permanent op zoek naar wie hij was, is en zal zijn in dit in slaap gesuste land. Het gedicht ‘De schaduw die mij volgt en die mij voorgaat of terzijde staat omdat ik anders zou beschimmelen’ brengt die zoektocht goed in beeld: ‘ik ben alles wat ik had’, ‘wat ik deed om niets te verliezen’, ‘inderdaad ook dit gedicht is niet van mij / want aan niemand in het bijzonder / stel ik vragen’. Dan altijd weer dat onderscheid: ‘dat er zwart en wit is, // met adempauzes tussenin.’ Een aantal keren spreekt de ik de ‘allervriendelijkste u’ aan in cursief gedrukte intermezzo’s.

De verpleegster blijft op haar dagelijkse en nachtelijke rondes door de bundel heen spoken om ons bewust te laten worden, dat we het onderscheid zwart-wit dienen te vergeten. We zijn allen vreemdelingen op deze aardkloot, en naamlozen onder elkaar. En toch blijven bij de ik de dystopische gevoelens overheersen. Er zijn in de loop van de tijden planten en dieren verdwenen. Die kans op verstikking bestaat er ook voor mensen, voor een bepaald soort mensen:

het richtsnoer van de tijd
is niet de kans op verstikking

maar de buitengewone willekeur
waaraan ik in mijn dooie eentje onderworpen ben,

de statische voorgang

als mijn hoogstpersoonlijke fata morgana

Grondwettelijk gesproken zijn we allemaal gelijk.

Door de hele bundel klinkt de stem van een vaardig dichter die in een rijke schakering aan beelden, situaties en invalshoeken oproept om in te zien dat we allen op zoek zijn naar erkenning en bestaansrecht. Herinneringen brengen hem telkens weer terug bij waar hij vandaan kwam. Het zoeken naar het niet meer vreemd willen zijn en gezien willen worden in je eigen leefwereld: ‘Is mijn huidskleur een zegen of een vloek / een vraag die ik onderhand kan dromen. // maar wat is het antwoord.’ Er blijft niets anders over dan te blijven ronddolen in het ‘vertrouwde labyrint’. Het ziet ernaar uit dat het voorlopig en kwestie van improviseren blijft. Op het einde klinkt de smeekbede: ‘laat mij met rust ik / smeek het u’. In ‘Finalmente’ refereert Schaffer aan ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman. Geen opwekkend perspectief: de dreigende stem van het water. Het blijft voorlopig bij impromptu’s van een vreemdeling die blijft vragen om gelijkwaardigheid in een land dat zich nog niet voldoende bewust is van het onrecht.
____

Alfred Schaffer (2020). Wie was ik. Strafregels. De Bezige Bij, 107 blz. € 20,99 ISBN 9789403183107

Geplaatst in Recensies.