T. van Deel – Een steen in de beek verveelt zich niet

De dichter van stilstand en beweging

door Herbert Mouwen




Van de in 2019 gestorven dichter T. van Deel is een keuze uit zijn gedichten verschenen. Nicolaas Matsier en Marjoleine de Vos, de samenstellers van de bundel, hebben een zestigtal gedichten geselecteerd uit zijn oeuvre van ruim tweehonderd verzen en een Nawoord geschreven over de ontwikkeling van zijn dichterschap. In een periode van vijftig jaar heeft Tom van Deel een zevental bundels geschreven. Hij was niet alleen bekend als dichter, maar ook als recensent verbonden aan het dagblad Trouw. Bovendien doceerde hij moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was hij in 1974 een van de oprichters van het tijdschrift De Revisor.

De openingsalinea van het Nawoord is veelzeggend wanneer het om de typering van het werk van T. van Deel gaat. De dichter placht nogal eens te spreken over zijn ‘versjes’, die hij zelf zag als ‘een soort schilderijtjes, kleine rechthoekige beelden die je wel aan een spijkertje aan de muur zou kunnen hangen.’ Of zoals de samenstellers zeggen: Van Deel had de voorkeur voor ‘het blokvormige gedicht’ en in dat gedicht werd iets gezien ‘dat stilstond te midden van het maar al te beweeglijke leven’. De titel van deze bundel is binnen deze thematiek van stilstand-beweging goed gekozen. De beweging van het stromende water zorgt ervoor dat de ‘steen in de beek’ tot leven komt, dat een levenloos voorwerp een reden tot bestaan krijgt. Het lijkt erop dat T. van Deel elke vorm van passiviteit die hij waarneemt, probeert te activeren. Zo kort als zijn gedichten soms zijn, aan het slot komt elk gedicht tot leven, gaat het bruisen, geeft het de lezer energie. Ik betrap mezelf erop dat ik niet kan stoppen met lezen: telkens wil ik die weg van stilstand naar bewegen in zo’n kort gedicht beleven. In het gedicht ‘Een steen’ creëert de dichter in acht versregels een complete, dynamische wereld waarin de levenloze steen zich bevindt:

Een steen in de beek verveelt zich niet,
water glijdt langs en groet vluchtig,
hij blijft in beweging van denken, omspoeld
door suggesties, geduldig geslepen. Daar
ligt hij, vast in de bocht, schijnt de zon
een vrolijk tafereel: een steen die zich
niet verveelt, die ziet hoe het toegaat,
verandert, verdwijnt en aldoor bestaat.

Verrassend is in veel van zijn korte gedichten de beeldende kracht, die hij als dichter verwoordt in uiterst precieze zintuiglijke waarnemingen. Zijn woordkeus is altijd treffend, het toepassen van de personificatie is een belangrijk stijlmiddel. Zoals in bovenstaand gedicht: een steen die zich niet verveelt, water dat vluchtig groet, een steen die ‘in beweging van denken’ blijft en ‘ziet hoe het toegaat’.

De ontwikkeling van de dichter is in deze bundel goed waar te nemen. Kort samengevat: die loopt van het concrete naar het meer abstracte, wat – overbodig dat te zeggen – bij veel dichters het geval is. Al lezende word je in deze ontwikkeling meegenomen. De gedichten worden minder direct toegankelijk, omdat de dichter zich meer gaat afvragen wat er achter de zintuiglijke waarneming aan waarheid schuilt en wat de belangrijke vragen zijn die hij als dichter kan stellen, misschien wel móet stellen. Steeds meer gaat het denken – dat hij in bovenstaand gedicht ook ziet als een beweging – naar aanleiding van de natuurbeelden een grotere rol spelen. Of zoals hij het in het gedicht ‘Mondriaan’ zegt: ‘Het denken geeft een hand / aan wat het oog aanschouwt: geraamte / dat het vlees ontstijgt, vlees als / een voorwaarde voor ’t bot.’ In het volgende gedicht ‘Achter de waterval’ voelt de dichter wat er achter de bewegende werkelijkheid aanwezig is. De gevoelservaring is in eerste instantie gruwelijk, maar leidt nog binnen het gedicht tot een zekere rust en catharsis.

Wie zijn hand door de waterval steekt,
voelt hoe hij af wordt gehakt uit
de wereld van splinterend licht naar
een uitzicht dat weg was geruist. –
Hier is het goed herdenken, bij
glimmend graniet, de oren verdoofd,
besloten verstoken van ruimte.

In Een steen in de beek verveelt zich niet zijn ook enkele gedichten opgenomen over zijn moeder, die gestorven is in het kraambed. Zoals het gedicht ‘Moeder’ dat vanuit een perspectief van een kind van negen jaar geschreven is, met de ontroerende openingsverzen: ‘Zoals ze daar lag / wilde ik liever niet weten / dat ze mijn moeder was. De buik, / een broertje dood had ik eraan.’ T. van Deel is echter vooral een natuurdichter, in zijn werk nemen de vogels een bijzondere plaats in. Het niet bewegen van de vogels is een aantal malen te lezen in de bundel, zoals in het gedicht ‘Diorama’: ‘Met veel kabaal weer / kwam de meeuw vooraan alweer niet van / de grond’ of in ‘Holysloot’, een dorpje aan de noordkant van Amsterdam: ‘Dit is geen wei. Grutto en tureluur / staan er wel op, maar gaan de lucht / niet in.’ Er is ook beweging van dieren in zijn poëzie, zoals in ‘Vervlogen’, waar hij schrijft: ‘Ik zag van een vlinder de schaduw / die over mijn vloerkleed bewoog – ’. Daarentegen wordt in het gedicht ‘Fabel’ de vlinder gekoppeld aan stilstand, aan het opgezet zijn om bestudeerd te worden: ‘Vlinder ziet een speld staan / vindt hem mooi want streng / niet doelloos doch standvastig.’ Het element beweging is verder op allerlei manieren terug te vinden. In ‘Sneeuwval’ glijdt de sneeuw ‘zonder te weten waarom’ van de takken, in ‘Wingerd’ gaat het om ‘Blad dat zich losmaakt / van de muur’ en een titelloos gedicht begint met ‘Ik zag een appel vallen in het gras’. Al met al is het een boeiend spel van stilstaan en bewegen dat de dichter speelt.

T. van Deel heeft een opvallende aandacht voor stenen en gesteente in zijn gedichten. In ‘Geologisch reservaat’ presenteert hij een stenen landschap gerelateerd aan het begrip tijd: ‘In deze ruimte van het landschap / is de tijd tentoongesteld: aarde / vol keien die het ijs bezwaarden.’ Verderop in dit gedicht karakteriseert hij de stenen als ‘Stenen / sirenen van een leven zonder duur.’ In het gedicht ‘Rots’ spreekt de dichter over ‘Een rots waarop de tijd is afgegleden’. De tijd beweegt en gaat voort, stenen zijn markeringspunten. Als je even stilstaat, kan je dat waarnemen. T. de Deel is geen dichter die – wie kent de clichéopvatting niet? – door middel van zijn gedichten de tijd probeert stil te zetten. De stilstand van de tijd is in de bewegende werkelijkheid waarneembaar. Dat is wat anders dan de tijd proberen stil te zetten in een gedicht en daar wijst hij de lezer op.

De samenstellers van Een steen in de beek verveelt zich niet zijn erin geslaagd een zorgvuldig afgewogen selectie uit de poëzie van T. van Deel te presenteren. De aantrekkelijke prijs mag ook genoemd worden. Tegelijkertijd hebben ze hun keuze verantwoord in een voor de lezer toegankelijk Nawoord. Na lezing van deze herinneringsbundel – zo wil ik hem toch wel noemen – krijgt de lezer een helder beeld van het dichterschap van T. van Deel, van zijn thematiek en vooral van zijn stapsgewijze ontwikkeling. Consequent heeft Van Deel gedurende zijn dichtersleven zijn eigen weg gevolgd, zonder daarvan al te veel af te wijken. Hij speelt het spel van het dichten secuur, met soms even een pas op de plaats en dan weer een kleine stap vooruit. Het gedicht ‘Weg’ uit de bundel Nu het nog licht is (1998) opent met ‘Niet altijd wijst de weg zichzelf’. Het gaat daarna in op de weg die voor je ligt met zijn ‘steeds minder doorzichtige stenige zijpaden’, de aanwezige ‘sporen’ die hulp bieden, de kans om te ‘verdwalen’ en hoe je uiteindelijk je doel kan bereiken. Het gedicht eindigt met: ‘Vertrouw daarom de weg, altijd, want / hoe dan ook, hij komt aan, anders was hij er niet.’ Deze twee versregels zijn een juiste weergave van de weg die de dichter heeft afgelegd, van het proces dat de kunst van het dichten heet.
____

T. van Deel (2020). Een steen in de beek verveelt zich niet. Samengesteld door Nicolaas Matsier en Marjoleine de Vos. Querido, 72 blz. € 10,-. ISBN 9789021422275

Geplaatst in Recensies.