Dagboek van een ex-redacteur (10)

door Eric van Loo


foto Wikipedia

 

Mogen we Cees Nooteboom een Nederlandse dichter noemen? Hij heeft zoveel paspoorten dat Thierry Baudet er wakker van ligt. In 1991 schreef hij het boekenweekgeschenk Het volgende verhaal. De hoofdpersoon, leraar oude talen (‘oude leraar talen’) Herman Mussert moet niet veel van moderne poëzie hebben. Zijn collega en rivaal Arend Herfst wordt in scherpe bewoordingen terechtgewezen:

‘(…) eruitzien als een slecht gebakken kotelet en het over poëzie hebben, dat gaat ver. En hij had het er niet alleen over, hij schreef het ook. Om de paar jaar verscheen er een minimaal bundeltje met berichten uit de lauwe provincie van zijn ziel, regels zonder tanden, woordreeksen die zo’n beetje los in de pagina dreven. Als ze ooit in aanraking kwamen met één regel Horatius zouden ze oplossen zonder een spoor na te laten.’

Voor Mussert, door zijn leerlingen spottend Sokrates genoemd, gaat er niets boven de klassieke Latijnse poëzie van genoemde Horatius of Ovidius. Hij waagt zich wel eens aan een vertaling, maar geeft direct toe dat het metrum van zijn Hollandse woorden het niet bij het origineel haalt. En zelfs wanneer zijn favoriete leerling Lisa d’India na een uitstapje naar de zee (thalassa!) haar ervaringen in een gedicht heeft weergegeven, weet hij niet wat hij ermee aan moet:

‘Bij alles wat ik riep schreeuwden de meeuwen als wraakgodinnen hun echo’s van Orpheus en Styx, en ik herinner me het witte, doorschijnende gezicht van mijn liefste leerling omdat in zulke gezichten de fabels waar worden. Tegenover de generatie van de weggemoffelde dood stond ik daar als een gek geworden kobold te brullen over eeuwige nevels en ondergang, Sokrates in IJmuiden. De volgende dag had d’India me een gedicht gegeven, iets met storm en eenzaamheid, ik had het opgevouwen en in mijn zak gestopt, het had geen vorm, het leek op de moderne poëzie die je in bladen leest, en omdat ik dat niet wilde zeggen had ik maar niets gezegd, en nu hier, aan boord van dit schip, vroeg ik mij af waar dat gedicht gebleven was. Ergens tussen al mijn papieren, ergens in een kamer in Amsterdam.’

Deze zomer verscheen Afscheid, de nieuwe poëziebundel van Nooteboom, die op 31 juli 88 jaar werd. De gedichten zijn tot op zekere hoogte vormvast: drie kwatrijnen en een losse slotregel. Geen rijm, geen vast ritme. Inhoudelijk en qua vorm (33 gedichten) lijkt deze bundel voort te borduren op Monniksoog (2016), zij het dat deze vorige bundel veel meer tegen de Griekse filosofie aanleunt. Ik ben benieuwd, wat Mussert alias Sokrates van het nieuwe werk van zijn schepper vindt.

Dit vroeg de man in de wintertuin zich af,
het einde van het einde, wat kon dat zijn?
Het leek hem geen enkele vorm van verdriet,
hij keek naar buiten, zag een wolk die er uit

zag als een wolk, loodgrijs, te zwaar voor
elke weegschaal, de ontbladerde vijgenboom
tegen de duizendjarige stenen van de muur,
de ganzen van de buren, hun censuur,

hoe de nacht gecorrigeerd moest worden,
de grammatica van onteigening, niemand
nog zichzelf, geen enkele verschijning,
terugtocht na de nederlaag

maar geen bestemming.

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Column, Gedachtes.