Cees Nooteboom – Monniksoog

‘Beste Phaidros, waar ga je heen en waar kom je vandaan?’

door Eric van Loo

Zelfs de tekst van het nawoord is van een grote schoonheid. In zijn vertrouwde bedachtzame stijl, waarbij elk woord precies op zijn plaats staat, maakt Nooteboom ons deelgenoot van zijn dilemma: ‘hoeveel moet je vertellen of uitleggen, hoeveel geheimen die voor het maken nodig waren mag je voor jezelf houden als je denkt dat ze wezenlijk waren?’ De lezer is gewaarschuwd, zeker als hij dit nawoord, simpelweg ‘Monniksoog’ geheten, leest voor hij de bundel betreedt. Mag hij wel verstrooiing vinden in deze gedichten, of wordt hij uitgedaagd tot een spelletje Pokémon GO voor intellectuelen?
Er zijn aanwijzingen genoeg. We lezen in nr. 18: ‘hier lopen twee mannen met daartussen vier / eeuwen, ze hebben het over de ziel, (…) Je hoort die twee stemmen, frans, italiaans, / in de wind op de landweg’. Het nawoord verklapt dat het hier over Valéry en Da Vinci gaat, maar dat zijn slechts namen. De mannen in dit gedicht zijn voor de dichter vertrouwd gezelschap. Hij zet hun gedroomde gesprek voort, en er is haast bij: ‘het gedicht van de twijfel / of het bewustzijn bestaat, en wanneer het dan // sterft zonder meer.’

Het gaat in deze gedichten niet om de antwoorden, maar om de vragen die worden opgeroepen. De vorm sluit daar nadrukkelijk bij aan. In Monniksoog hanteert de dichter een vrij vaste vorm. Of misschien wel een vaste vrije vorm. Drie kwatrijnen en een halve regel. De kwatrijnen zijn niet strak metrisch, en veelal zonder rijm. Soms lijken de zinnen wat willekeurig afgebroken om in het visuele beeld van de strofen gegoten te kunnen worden. Voorop staat de uitgesponnen gedachte, die al zoekend onder woorden wordt gebracht. Die paar losse woorden op de verder lege laatste regel lijken te onderstrepen dat het gedicht niet af is, dat de gedachte verder gaat.

27

Waarom laten de doden ons niet met rust?
Ze strooien hun namen over de weg
waarop wij moeten lopen, ze doen hun
dichtregels in onze laatste slaap voor de ochtend

waarna ze weer weg zijn, afwezig alsof
het een beroep is, afgewend, oogloos,
verborgen in hun eigen jargon, het dialect
van doden onder elkaar, zonder

toegang voor ons, een ras zonder paspoort
of stem dat in onze herinnering inbreekt
zonder ooit een afspraak, naast ons loopt
of op de rand van het bed zit waarin ze

ooit lagen.

Na deze laatste zin kunnen we het gedicht hernemen: ‘Waarom laten de doden ons niet met rust?’ Mooi hoe het ‘strooien’ van hun namen associaties oproept met het verstrooien van as. Het is het bekende thema van de ouder wordende mens, die met steeds meer doden te leven heeft: ‘Elke nacht omringd door mensen / die niets meer omringen / dromen van wie niet meer dromen / of niets doen dan dat’ ( Ellen Warmond, ‘Um Mitternacht hab’ ich gewacht’). Verontrustend is, dat de doden zelfs op de rand van het bed (‘waarin ze ooit lagen’) komen zitten. De dichter ligt immers in ditzelfde bed terwijl hij de dromen van de ‘laatste slaap voor de ochtend’ van zich afschudt. En waarschijnlijk realiseert hij zich opeens, dat ook hij een schim zal worden die bij anderen op de rand van het bed zit, dat de doden hem zijn voorland tonen.
Ik struikel over ‘ze doen hun’ in de derde regel. Een kinderlijk gebruik van ‘doen’, doe je best, doe je ogen maar dicht, doe je jas aan. Het doet de strofe geen kwaad wanneer we hier het meer voor de hand liggende ‘stoppen’ schrijven, het gedicht lijkt een dergelijke ingreep te verdragen. Er is geen vast metrum of aantal lettergrepen per regel, geen rijm dat doorbroken wordt. Het gaat om de inhoud, om de beelden.

Monniksoog is te lezen als een bundeling van 33 losse gedichten, maar ook als één enkel gedicht over een dichtersleven, over een oereiland, en over de – bijna oosterse – verstilling die je kunt aantreffen op duin, strand en schelpenpad,’ zo wordt ons beloofd door de uitgever. De gedichten verhalen van een hallucinerende tocht over nachtelijke eilanden, waarin ‘een ik die hij is, een hij die ik ben’ overleden familieleden en vrienden tegenkomt, en gesprekken opvangt van door hem gekoesterde schrijvers die door de duinen dwalen. Gesprekken over de ziel, over oorsprong en bestemming, de vraag wie je bent.
Soms ligt de surrealistische sfeer er wat dik bovenop: ‘Mijn broers waren doorzichtig. / Ik zag het pad door ze heen.’ Over Phaidros en Sokrates maakt hij een anachronistische grap: ‘Ze staan even stil / op het duinpad om een sigaret op te steken,/ maar als ik een foto maak staat er later niets op’. Nooteboom zou Nooteboom niet zijn als hij zich niet hyperbewust zou tonen van deze dubbelheid: ‘Nu moest ik kiezen, tussen / het echt van de struik, de droom van de steen’.
In zijn nachtelijke omzwervingen graaft hij niet alleen in zijn eigen verleden, maar buigt hij zich ook over de oorsprong van de menselijke beschaving: ‘Niemand had ons bedacht, wij zaten in het gruis / van de eerste seconde’. Het ene moment word ik het verhaal in getrokken, het volgende moment blijf ik hangen bij een gedicht dat krachtig genoeg is om op zichzelf te staan.

Op zijn tocht over de eilanden worden veel vragen opgeworpen: ‘Wie hij was vroeg de kraai boven de berken, / maar hij wist geen antwoord’; ‘ze hebben het over de ziel, hoe / moeilijk die het vindt het lichaam alleen te laten / als het sterft’. De dichter lijkt zich in een schemertoestand te bevinden, en ziet de film van zijn leven aan zich voorbijtrekken. ‘Op het strand vind je alles (…) je verleden zonder de namen, een moeder (…) wie je wou worden en wie je niet werd’.

Nu vlieg ik, mijn vleugels hoef ik niet te bewegen, een man
van wind ben ik, en daar zie ik mijn andere lopen, beneden,
een man als een hond met zijn neus naar de
aarde, en ik zweef hier met tussen mijn tanden een lied

dat ik nooit heb geleerd.

Monniksoog is het verhaal van een oudere dichter die terugkijkt op zijn leven, maar dat is het niet alleen. ‘Verdwijnen’ is altijd al een belangrijk thema in het werk van Nooteboom geweest, vaak gekoppeld aan het thema ‘identiteit’. In Rituelen worden we deelgenoot van het verlangen van één van de hoofdpersonen om zijn identiteit, en tenslotte zelfs zijn bestaan, uit te wissen. Het boekenweekgeschenk van 1991, Het volgende verhaal, speelt zich af in een soort overgangswereld tussen leven en dood, waarbij de passagiers van een schip op de Amazone één voor één hun levensverhaal vertellen alvorens in het niets op te gaan. En de hoofdfiguur van Allerzielen (1998) is een cameraman die het tot zijn levensdoel heeft gemaakt om juist de dagelijkse, niet opzienbarende verschijnselen in de wereld voor vergeten (verdwijnen) te behoeden door deze op film vast te leggen.

Aan het eind van de bundel komt de dichter terug wij zijn vertrekpunt op Schiermonnikoog: ‘voorbij de uiterton, in legendes van stuifdijk / en zandbank, gefluister van Willemsduin / in de golven over Wantij en Rif, / een sluimerketting van naam en vergeten // waarin iemand verdwijnt’. Juist dan wanneer hij zijn omgeving nauwkeuriger waarneemt en beschrijft worden de gedichten krachtiger en toegankelijker. ‘Wind, het eerste licht, / de ochtend vol gesprekken van vogels, karekiet, kluut, // fuut, taal die ik niet spreek, die ik hoor.’ De dichter die zich verwondert over de taal, de eenling, de zoeker, de reiziger. Nooteboom heeft met deze bundel een zeer persoonlijk portret, een ultiem zelfonderzoek geschreven.

***
De titel van deze recensie is de opening van de Phaidros van Plato, in de vertaling van de School voor Filosofie, Amsterdam. De Phaidros (in het Nederlands ook vaak aangeduid als ‘Phaedrus’), is een dialoog tussen Sokrates en één van zijn leerlingen waarin Plato allerhande thema’s uit zijn filosofie aansnijdt, met name het wezen van de taal, de eros en de retorica. In veel gedichten uit ‘Monniksoog’ verwijst Nooteboom naar dit werk of reageert hij op denkbeelden hieruit.

Geplaatst in Recensies.