Hans Keilson – Sonnetten voor Hanna

‘Mijn opa schreef gedichten’, zegt Leila

door Hans Franse

Voor mij ligt, wat men vroeger ‘een kloek boek’ noemde, stevig gebonden, een heldere stofomslag en een fraaie letter. Het betreft een tweetalige uitgave: op de linker bladzijde de Duitstalige sonnetten die Hans Keilson tijdens zijn onderduikperiode in Delft schreef, op de rechter bladzijde de vertalingen van Jos Versteegen. Het boek wordt niet alleen in Nederland uitgegeven door de uitgeverij Nieuw Amsterdam, maar verschijnt tevens bij S. Fisher in Duitsland, waar Keilson in de jaren dertig van de vorige eeuw debuteerde; hij was de laatste Joodse debutant. De tweede vrouw van Hans Keilson, Marita Keilson – Lauritz, schreef een kleine inleiding. Jos Versteegen verzorgde een groot, degelijk nawoord: ‘Een liefde in de onderduik’. Hij heeft de gedichten, samen met vrouw Marita, geannoteerd en dat is zeer degelijk gebeurd.

Hans Keilson was een Duits/Joodse schrijver en psychiater, geboren in Duitsland aan de Poolse grens in 1909 en overleden in 2011 in Nederland. Op zijn honderdste verjaardag (als ik mij goed herinner werd er ook aandacht aan besteed bij DWDD) constateerde de criticus Francine Prose in The New York Times dat zij Keilson rekende tot de grootste schrijvers van zijn tijd: een late erkenning. Hij studeerde medicijnen in Duitsland, maar kwam als arts terecht in de maalstroom van de vele verboden die de Joden in Nazi-Duitsland werden opgelegd. Hij mocht zijn vak niet uitoefenen, was muzikant en sportleraar en debuteerde in 1933 bij uitgeverij S. Fischer met het boek Das Leben geht weiter, een verhaal van twee jonge mensen in het interbellum. Na zijn debuut stak de storm op en op aanraden van zijn redacteur bij de uitgeverij vertrok hij in 1936 naar Nederland met zijn partner, de katholieke grafologe Gertrud Pfeiffer-Manz en hun kind. Het noodlot achterhaalde hen: Nederland werd bezet. Keilson dook onder in Delft, maar was geen deemoedig slachtoffer. Hij ging zonder ster naar buiten, steunde het verzet. Ondanks zijn gevoelens voor Gertrude en hun kind, werd hij verliefd op de eveneens ondergedoken Joodse Hanna Sanders. Terwijl de geliefden in het Nederlands communiceerden, schreef Keilson 46 sonnetten voor Hanna in het Duits, een Duits dat hier en daar wat Nederlands gekleurd was. Wonderlijk dat hij in de taal van de gezamenlijke vijand schreef, en niet de taal van hun liefde gebruikte.

Het zijn traditionele sonnetten, zwaar, soms overdadig laat-romantisch. Qua techniek goed, qua Duits, moet ik de vertaler geloven, vol ‘neerlandismen’. Het lijkt alsof aan Hans Keilson de gehele expressionistische poëzie, zoals onder andere verzameld in de beroemde bloemlezing van Kurt Pinthus, Menschheitsdämmerung, voorbij is gegaan. De geest van Rilke hangt over de gedichten. Soms zijn er zinnen die mij doen denken aan Karel van de Woestijne, dat heel overdadige, soms zelfs aan Willem Kloos en Albert Verweij. De sonnetten hebben geen titels, maar dragen nummers. Ze vertellenover, nee, ze bezingen de liefde en reflecteren op de omstandigheden en de gebeurtenissen in de buitenwereld. Uit het 37ste sonnet blijkt, dat Keilson zich volledig van de situatie bewust is waarin de Joden verkeerden: het gedicht gaat over gas. Hij schetst daarin de lichtheid van het gas dat bijna onmerkbaar in het systeem van ‘Lungen und Adergeflicht’ wordt opgenomen. Hij moet in 1944 hebben geweten van het wat en hoe.

O Leiber, gepfercht in die Kammer
so gläublig dem wendende Hahne
im langsam erstickendem Jammer

genast ihr vom letzten Wahne
als härter denn Schlag und Hammer
wehte des Grauens Fahne…

of in de vertaling:

O lichamen, in ’t hok gestouwd,
wat hebt u op de kraan vertrouwd
die draaide, maar uw laatste droom

werd, met uw kreten, traag gesmoord:
wreder nog dan een mokerslag
was ’t waaien van de gruwelvlag.

Er is een sonnet dat begint met het sextet en eindigt met het octaaf (26); soms maakt de vertaler, gemotiveerd in de uitstekende annotaties achter in de uitgave, van het gedicht een Shakespearesonnet, soms zijn er ritmische met kortere regels. Soms worden er Nederlandse woorden gebruikt om het rijm goed te laten klinken. Ook dat is allemaal terug te vinden in de aantekeningen achterin het boek, evenals de verbeteringen van spel- en grammaticale fouten in het Duits.

Ik ben geen germanist en hoewel ik redelijk goed Duits beheers en de taal ook veel lees, voel ik mij niet competent om over de inhoud van de Duitse poëzie te oordelen; wel weet ik iets van het proces van vertalen. Mijn gedichtencyclus Het Umbrisch Getijdenboek is in het Italiaans vertaald, waarbij ik zelf betrokken was. (Umbrisch Getijdenboek / Le ore canoniche Umbre – Edizioni Era Nuova-Perugia). Ik had de tekst grof vertaald en deze vervolgens met een filosoof/filoloog bewerkt. Aangezien de man geen woord Nederlands sprak, werkten we met objectieve kenmerken als regellengte, klank (waarbij uit synoniemen gekozen werd als ik het betreffende woord had voorgelezen) aantal lettergrepen, plaats van het woord in de zin. De definitieve beslissingen nam ik zelf: vertalen is immers vaak beslissen. Het was een heel bijzondere ervaring: je eigen poëzie verdedigen (waarom staat dat woord daar en wat betekent het precies en hoe hangt het samen met andere woorden) en vervolgens het gedicht in een andere taal zien groeien. Het was hard, vooral inspannend werk, maar ik wens elke letterkundige, of hij nu proza of poëzie schrijft, toe, dat hij zo een ervaring kan meemaken: het is een proces van opnieuw creëren, van verdieping en tenslotte is er de satisfactie over het resultaat.

Jos Versteegen had niet de mogelijkheid zijn vertaling te toetsen aan datgene wat de dichter er zelf van vond, hij moest zijn beslissingen zelf nemen en er ook zelf de verantwoordelijkheid voor dragen, al zal hij ongetwijfeld over sommige dilemma’s met de vrouw van de dichter hebben gepraat. Ook de annotaties verzorgde hij met haar, maar ook zij kon niet in het hart van de dichter kijken. Als ik bij Sonnet 14 lees: ‘De werkwoorden ‘strehlen’ en ‘kehlen’ bestaan niet in het Duits, ze zijn naar alle waarschijnlijkheid gevormd naar het voorbeeld van de Nederlandse werkwoorden ‘strelen’ en ‘kelen”, zit daar een duidelijke modaliteit in. Versteegen maakt ook regelmatig opmerkingen als ‘een spelfout in r. 8 is gecorrigeerd’. Het biedt de lezer de mogelijkheid moeilijkheden van een vertaler te zien, die er ook nog eens mooi Nederlands van moet maken. Een duidelijke vertaalbeslissing vinden we in de vertaling van sonnet nr. 25 (dat begint met ‘Die Zeit des Grauens’, nr.25), door Versteegen vertaald als ‘Gruwtijd’, een woord dat ik lelijk vind. Versteegen schrijft als toelichting: ‘Herinnerd wordt met name de gruwtijd toen Hans en Hanna samen hun toevlucht namen tot de liefde. Deze gruweltijd bracht dus de liefde, maar in de tijd van de liefde bleef de gruwel aanwezig, wachtend en wakend’. Op grond hiervan komt er een vertaalbeslissing: ‘In het Duits staat er ‘wacht’ in de laatste regel. Dat kan betekenen dat de gruwel als het ware waakzaam is, ‘waakt’ van het Duitse werkwoord ‘wachen’ . Het kan ook een neerlandisme zijn, van ‘wachten’ en dan staat er (en hiervoor is in de vertaling gekozen) dat de ‘gruwel wacht’ (‘wartet)’. Zo ziet men een gewetensvol vertaler aan het werk.

Jos Versteegen moest én de vorm én de inhoud weergeven. Ook hiervan geeft hij fraaie staaltjes. Het viel bij mij bijvoorbeeld bij sonnet 7 op, dat hij nogal ‘worstelde’ met het sextet. Keilson heeft als rijmschema aba/bab

..hab’ ich an ihrem Bett, als wär’s für mich
die ganze Nacht Tränen geweint, um einen,
den mein Herz nicht meint. So bitterlich

hab ich noch nie gerufen. ’S Gab keinen
anderen Weg zum Trost für sie und mich
als in dem grossen Weinen zu vereinen.

Versteegen daarentegen heeft als rijmschema: abc/acb. Hij volgt gewetensvol de enjambementen:

…en aan haar bed, de hele nacht, vergoot
ik tranen om wie ik niet eens beminde.
Zo bitter was mijn klagen, mijn geschrei

nog nooit geweest. Versmelten in een groot
en hevig huilen was voor haar en mij
de enige manier om troost te vinden.

Mag dit? Ik zou die vraag niet eens willen stellen: ik vind het prachtig gedaan.

Ik wil hier eindigen. De verleiding is groot om nog vele voorbeelden te citeren en te bekijken. Ik vind dat Versteegen gewetensvol vertaald heeft en van de Duitse gedichten Nederlandse poëzie heeft gemaakt, die ook zonder oorspronkelijke tekst te genieten valt en dat is een heel groot compliment.

Hiervoor is al opgemerkt, dat het boek begint met een tweetalige inleiding van Marita Keilson – Lauritz, de tweede vrouw van de schrijver) en eindigt met een degelijk, prettig leesbaar en buitengewoon interessant tweetalig nawoord van de hand van Jos Versteegen, waarin de situatie van de dichter verhelderd wordt en veel biografische gegevens worden weergegeven die ons de dichter nader brengen. Hij gaat tevens in op de positie en de gevoelens, soms van vertwijfeling, van Hanna Sanders. Van haar wordt ook een gedicht geciteerd dat de hopeloosheid van deze grote liefde weergeeft. De annotatie per gedicht is van de hand van Versteegen en Marita Keilson – Lauritz .

Deze poëtische verslaggeving van een liefde tijdens het onderduiken, is zeer de moeite waard.

***

Na de oorlog publiceerde Keilson onder andere de novelle Komedie in mineur (1947) en de roman In de ban van de tegenstander (1959), waarmee hij in 2010 wereldberoemd werd. Zijn verzamelde werken, Werke in zwei Bänden, verschenen in 2005.
Jos Versteegen (1956) is dichter en vertaler. Zijn vertaling van de gedichten van Hans Keilson komt in twee landen uit. In Nederland bij Nieuw Amsterdam en in Duitsland bij S. Fischer, de oorspronkelijke uitgever van Keilson.

Geplaatst in Recensies.